bad meid meisje voor karweitje

Dominant gezocht harde nl


bad meid meisje voor karweitje



Geile elena Geile kinky meid zoek spannende date wie wil mijn suggardaddy worden meteen? Dames van plezier Thuisontvangst Aziatische meid ontvangt bij haar thuis Geile elena Cynthia - lekkere volle dame met cup F Volslanke blonde dame ontvangt graag prive Leuke lieve brunette ontvangt prive lekker geil en thuis in Deventer. Dames van plezier Escort Geil stel 49 komt op escort Zuid-Holland Escort cash, pin en ideal Mooi blond tienermeisje vol maar lekker proberen??

Slanke slet met slanke vriendin Donderdag 14 juni: Mooiste en drukste Privéhuis van Rotterdam Met spoed chat operators gezocht! Zin om pornoster te worden? Pak nu je kans!

Escortdames gezocht voor weekenddiensten!! Wil jij veel verdienen als escort Dame? Senso massage zoetermeer man voor stellen Delia Tiffany Massage: Klasse Beauty Dienen meldt je meteen. Sexdate gezocht zaterdag 9 juni! Lekker nat kutje wil klaarkomen op App..!! Geil appen met een geile meid? Vrouw gezocht voor wekelijkse sexdates. Zit je krap bij kas, ik kan je snel helpen!!??

Dames van plezier Pijpen zonder condoom Dames van plezier Cardate Sexy blond tienermeisje vol maar lekker proberen? Tropische verrassing UithoornCARblowjob tot Mannen Betaald contact gezocht Leuke normale jongen zoekt en helpt leuke meid! Waar ben jij sexy spontane vrouw toch? Dames van plezier Suikeroom gevraagd Eerlijke suikeroom gezocht I can make your bed rock..!

Speld in de hooiberg big boobs Melanin queen zoekt eerlijke betrouwbaar oompje. Lekkere gedragen slipjes voor jou! Gedragen string pantys kopen van klasse beauty Geile strings, kinky toys en nog veel meer!! Dames van plezier Girlfriend experience Het jonge meisje staat net in haar ondergoed en is van plan om bad te gaan. Maar ze wordt tegengehouden door haar vriendje die het wel geil vindt om haar te zien. En voordat ze het weet ligt ze op de grond met zijn dikke lul in haar poesje.

Zo zien we de prive sexfilmpjes het liefste. Film overdag, dan zie je meer. Prachtige Turkse meid op zijn Grieks geneukt.

Nee joh gewoon dooreten, ook als je flink genomen wordt. Dit enorme dikke wijf wil neuken en vreten tegelijkertijd.

Tja het kost natuurlijk ook heel veel energie! Dit wat excentrieke stel houdt van trekken en rimmen. Hij gaat voorover gebogen staan en zij pakt zijn lul vast om deze af te trekken, ondertussen gaat zei met haar tong likken tussen de billen.

Ze zijn erg geil en ze hebben beide al vaker met elkaar gespeeld. Maar vandaag gaan ze met een kerel erbij spelen. Terwijl Nicol geneukt wordt, streelt Caroline nog lekker over haar natte klitje. Dit is echt een extra genot voor hun. Kijk maar eens hoe ze. Ze gaat vreemd met haar buurjongen en besluit daarom maar een condoom om zijn snikkel heen te doen. Zijn pik blijft goed stijf en neukt haar zonder problemen. Drew zou een goede zijn voor achter de cam.

Een lekker ding met een fabuleus lichaam en ogen waar je zo in zou verdrinken. Helaas is de rol voor tegenspeler al vergeven en wacht ze ongeduldig op die vlam die haar eens flink zal naaien.

Ze hoeft er niet la. Deze Blondine wordt door meerdere harde pikken verwend, ze schreeuwt het uit van genot. Ze zijn echt super geil en ze willen geneukt worden. En wie zou het niet erg vinden om zulke lekkere meiden te neuken. Ze zijn al lekker met elkaar te spelen voordat de jongens komen. Maar wat ze niet weten is dat de jongens ook met elkaar gespeeld hebben.

Zittend achter een enorme vleugel wordt de pianiste verleidt door een knappe man. Na uitgebreide, wederzijdse likbeurten, neukt hij haar in een steeds sneller tempo om uiteindelijk in haar gezicht klaar te komen.

De computern van Saskia is stuk gegaan maar ze heeft geen geld om hem te laten maken. Ze kent wel een mannetje die de klus wel wil klaren in ruil voor sex.

Ze kijkt naar achteren hoe hij zijn grote pik bij haar naar binnen duwt.



Shemale sex contact escort gevraagd


Toen we weer bij zinnen waren, heb ik ze alles teruggeven en het plechtige besluit genomen nooit meer om geld te spelen. En daar heb ik me aan gehouden. Maar zolang het om lucifers, schelpen of fiches gaat, poker ik graag. Op een dag viel er een uitnodiging in de bus van het Holland Casino Amsterdam. Of ik mee wilde doen aan hun pokertoernooi voor journalisten. Dat wilde ik, en ik was niet de enige zo bleek toen ik op een herfstige middag voor het eerst van mijn leven het Casino betrad.

Je zag het aan de manier waarop we onze kaarten vasthielden, naar de dealer keken of de fiches over de groene tafel schoven. Met een paartje zevens blufte ik een hele tafel af om vervolgens door te gaan naar de finale. Waarin ik genadeloos onderuit werd gehaald door de correspondent van het Schager Sufferdje. Het einde van een mooie droom. Sinds rij ik met enige regelmaat de stad in of uit met de trein die me afhankelijk van in of uit richting Centraal Station voert of richting Zaanstreek.

Ik heb het altijd een leuk ritje gevonden. Als ik in de stad inkom, zit ik bij voorkeur rechts in de coupé en verheug ik me op het moment dat ik de toren van de Westerkerk zal zien. Ook de prachtige dubbele rij bomen op het Westergasterrein mag zich in alle seizoenen op mijn belangstelling verheugen. Als ik de stad uit rij, zit ook aan de rechterkant.

Vroeger keek ik dan vooral uit naar het welhaast ondeelbaar korte ogenblik dat je in een bocht de Hembrug zag liggen. Ter hoogte van het Prinseneiland schreeuwt van alles om aandacht, het elegante ophaalbruggetje over de Prinseneilandsgracht, de pakhuizen, de scheepswerfjes, de smalle straten, maar ik kijk uit naar de achterkant van een gebouw, waarvan ik de voorkant nooit gevonden heb, al was maar omdat ik er nooit naar heb ­gezocht.

Op die achterkant, vlak onder de daklijst, staat met zwarte letters op een gele achtergrond: Van sommige woorden krijg je een smaak in je mond. Het eerste wat me opviel op de expositie Kijk Amsterdam in het Stadsarchief was dat het Amsterdam van zoals hier te zien veel meer op het Amsterdam van nu lijkt dan het Amsterdam van mijn jonge jaren.

Ga met Reinier Vinkeles op de Geldersekade staan en kijk in de richting van de Schreierstoren en je ziet dat je ziet wat hij zag. Hij zag het in , tweehonderdvijfenvijftig jaar geleden. Vijfenveertig jaar geleden kwam ik vaak op de Geldersekade. En buiten was het een zooitje, heel anders dan op de lieflijke prent van Vinkeles. Toch is er een ding dat de prent met de Geldersekade van de jaren zeventig verbindt. De man die tegen een boom staat te wateren. Opmerkelijk zijn ook de vele begrafenisstoeten die voorbij trekken, en als je er eenmaal een gezien hebt, zie je ook overal honden ronddartelen.

Of er inderdaad ­zoveel honden in de stad rondliepen, waag ik overigens te betwijfelen. Ze lijken vaak aanwezig om wat vaart in de boel te brengen, want de mensen staan nogal eens stil. De poes komt er bekaaid af. Ik telde er maar een.

Op een huiselijk tafereeltje van Jacob Cats ligt hij op een kussentje op een stoel naast het haardvuur heerlijk poes te wezen. En straks weer muizenvangen. Lang geleden zat ik eens met Tom Egbers bij Wildschut. Het zal in zijn geweest, want we hadden het over De zwarte meteoor, het boek dat Egbers had geschreven over Steve Mokone, de uit Zuid-Afrika afkomstige voetballer met wie Heracles in kampioen werd. Van de tweede divisie, dat wel. De zwarte meteoor is het enige boek over een voetballer dat ik gelezen heb.

Arie Rekelbast ken ik uit Arie Rekelbast: Piet Keizer is niet verzonnen en ik zou graag een boek over hem lezen, maar ik geloof niet dat het bestaat. In Wildschut zat ik met Egbers te praten over dat wonderbaarlijke Almelose seizoen van Mokone toen er voor het raam een nog veel wonderbaarlijker gestalte opdook. Een man van middelbare leeftijd had zich vlak voor de ruit op zijn hurken laten zakken en sprong stuiterend op en neer, terwijl hij met een uitgestrekte arm naar ­Egbers wees.

Van de week zag ik Tom Egbers zitten bij Wildschut. Ik overwoog actie, maar zag er van af wegens oude knieën. In zijn boek Amsterdam bij gaslicht, met illustraties van Fiep Westendorp, beschrijft Maurits Dekker de spelletjes uit zijn jeugd en stelt anno vast dat ze allemaal verdwenen zijn.

Het gekke is dat ik die spelletjes anno allemaal gespeeld heb. Of heb zien spelen. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen. Maar voor de rest herkende ik ­alles, van Schipper mag ik overvaren tot hoepelen, oorlogverklaren, landjepik, diefie-met-verlos en Spanjolen, een spel dat door Dekker overigens niet genoemd wordt.

Als ik door een stille straat loop, neem ik nog wel eens de stoep-rand. Met gespreide armen als was ik een koorddanser zet ik mijn ene voet voor de andere op het blauwe steen. Haal ik de hoek, dan komt het goed. En als ik van de stoeprand val, dan telt het niet. Tegels zijn, zoals iedereen weet, voor dit spel, dat nog altijd druk gespeeld wordt, ook heel geschikt. Een naam heeft het niet bij mijn ­weten, maar het is kindermagie.

Net als de putdeksel die ik ­onlangs aandeed en die nog steeds de putdeksel is die als doel diende als wij op het autoloze pleintje na het poten een potje putten.

Met een niet al te grote, maar ook weer niet te kleine rubberen bal. Blauw-Wit tegen Ajax speelden we. Of Engeland tegen Hongarije. En wie er ook won, we wonnen altijd. En ineens ben je op weg naar huis. De hele middag lag de stad wijd open en kon je alle kanten op, naar de Diemerdijk of Jongensland, naar het Victorieplein, naar de oude Sloterweg of de Ringdijk, maar toen ik de Utrechtsestraat uit kwam en het Frederiksplein bereikte, wist ik dat het einde van de rit in zicht was.

Door mezelf af te vragen waar de Galerij ook alweer stond, probeerde ik nog wat uitstel te kopen, maar erg lukken wou het niet. Ik heb geen scherpe herinneringen aan de Galerij. Je zag er wel eens een kind op een grote bal lopen of op een eenwieler balanceren, maar het was er vooral stil, meen ik. Mijn herinneringen lijken met de Galerij verdwenen. Ik ben al bij de Govert Flinckstraat als ik voor de zoveelste keer bedenk dat ik eens moet kijken hoe het nou precies ziet met Van Woustraat 28, waar Hoyer woonde over wie Bavink tegen de journalist die hem, in Mene Tekel, komt interviewen zegt: Zo slecht en onreviaans als de verhalen in The acrobat zijn, zo goed zijn dezelfde verhalen als Vier wintervertellingen.

Alies uit Hengelo die als ze mijn haren knipt vaak zo gezellig met mij praat, had een oudere heer onder de kapmantel met wie ze meteen een gezellig gesprek ­begon.

Hoe oud hij was, wilde ze weten. Een indiscrete vraag , maar als Alies hem stelt, ben je maar al te graag bereid haar te antwoorden. Dat had ze niet gedacht, ze had eerder gedacht dat hij tachtig was, begin tachtig, vierentachtig op zijn hoogst. Iedereen om je heen gaat dood, je broers, je zusters, iedereen.

Het hoorde erbij, vond hij. Dat deed de al wat oudere heer. Hij deed ook nog ­alles zelf, behalve koken. Zijn eten liet hij komen.

Zondag word ik negentig. De oudere heer zei dat hij naar zijn zoons ging, en dan zag hij wel zag wat zij bekokstoofd hadden. Ze vindt het best leuk dat ik met enige regelmaat over haar bericht, dus ik had een vaag vermoeden van wat komen ging.

Het lijkt onvoorstelbaar, maar er zijn in de stad hele pleinen die zich een leven lang verborgen weten te houden. Ik was op zoek naar een beroemde zuurwinkel in de Vechtstraat en toen ik die niet vinden kon, reed ik een tijdje doelloos in de rondte, heerlijk.

Even later werd me duidelijk waarom. Want daar lag ineens de remise met zijn indrukwekkende uitruksporen, prachtig woord, in al zijn majesteit. Als kind ben ik eens in de remise geweest waar nu de Hallen zitten. Het rook er naar lak en oud ijzer. Een opa die nooit echt een opa worden wou, schilderde daar de tram.

Dat deed hij goed. Hij droeg, meen ik me te herinneren, een witte overall. Douwe was de derde man van mijn vaders moeder. Hij las de Waarheid en mijn vader had van kinds af aan een ­hekel aan hem gehad. Hij stierf aan keelkanker.

Veel drinken was hem verboden, maar op een middag vroeg hij me of ik bij de kruidenier op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan een paar flesjes bier voor hem wilde halen.

Hij kon bijna niet meer praten. Het was een ­zomerse dag en door de hitte liep ik langzaam langs het Rijpgrachtje, de centen in mijn hand. Een paar dagen later was hij dood. Ik volgde de Kromme Mijdrechtstraat, stak de Vrijheidslaan over, keek even naar de Wolkenkrabber en belandde vervolgens op het Meerhuizenplein.

En vandaar op het al even grote plein dat tussen Reggestraat, Berkelstraat en IJsselstraat zit ingeklemd. Twee in één klap, nog vijf en ik kon me ­meten met het snijdertje uit het sprookje. Zoals iedere wereldstad kent New York een paar plaatsen waar je geweest moet zijn. Als je als toerist in Amsterdam bent, pak je op Muiderpoort de 3 naar de Zoutkeetsgracht. Daarna eet je op het Haarlemmerplein een haring van Dok, want zo hoort het, en wat hoort, valt nooit tegen.

Toen onze taxi voorreed, stond er een ontmoedigend lange rij, maar sneller dan gedacht bereikten we de ingang, waar de rij zich in drie nieuwe rijen splitste, een voor afhalers, een voor zelfbedieners en een voor mensen zoals wij die een tafeltje met bediening wilden.

Het spektakel was overweldigend, overal tafeltjes, overal mensen en overal voedsel. Een jongeman riep de namen af van de mensen die aan de beurt waren voor een tafel. We ­bestellen de pastrami sandwich, zoals iedereen dat doet en als het broodje, wat eigenlijk geen broodje heten mag, voor me staat, weet ik dat ik met een gerust hart naar Amsterdam terug kan keren. Met mijn strohoed, mijn wandelstok en mijn drollenvanger was ik op Knickerbocker Avenue al snel een geziene figuur.

Heerlijke straat, waar van alles te beleven valt. Op de hoek met Bleecker, onder de bovengrondse ondergrondse, waar mijn dagelijkse wandeling begon, verkopen ze voortreffelijk geroosterde kippen, goed om te weten, zou ik zeggen en als je de hoek om slaat, strekt de Avenue zich in al zijn charme voor je uit.

Als je maar lang genoeg doorloopt, kom je vanzelf aan de Pacific. Maar eerst is het tijd voor mijn praatje met de kleine Peruaan aan zijn karretje die ervoor zorgen kan dat het tamelijk onpersoonlijke armbandje dat je ooit hebt laten vlechten helemaal het jouwe wordt. Er is nog niet veel te doen, laat hij weten, maar vanavond wordt dat anders, let maar op! Toen ik klein was, was ik heel groot, maar naarmate ik groter werd, werd ik kleiner.

Vandaag de dag waan ik me in Amsterdam vaak tussen reuzen. Hier toren ik ineens boven iedereen uit, wat het uitzicht ingrijpend verandert. Over de mensen heen kijk ik naar binnen bij beddenpaleis en bazaar, zie ik het ijscokarretje op de hoek met Hartman en de tacoverkoper een blok verderop. Af en toe loopt er iemand voorbij met een skelet onder zijn arm en de boom waar ik op uitkijk zit vol heksen en spinnenwebben. Het was bijna Halloween en dat wilden ze weten.

Terwijl mijn kleindochter over haar pontje vertelde, stonden de wolkenkrabbers aan de overkant van het water de skyline van Manhattan te wezen. Een vriendin, vertelde kleindochter, zei dat ze heel goed een kip kon nadoen en dat had ze toen ook gedaan, waarna iemand anders een goed schaap in huis bleek te hebben en weer iemand anders een haan, zodat het op de pont een hele boerderij was geworden, wat uiteraard voor de nodige hilariteit had gezorgd.

Onze ferry was inmiddels in aantocht. Door de stromende regen ging het onder de bruggen door, Williamsburg Bridge, Manhattan Bridge, Brooklyn Bridge, het kon niet op. Ter hoogte van de Brooklyn Bridge kwamen we aan dek. In verband met zijn achteruitzicht, concluderen we na enig nadenken. Bij Pier 11 meerden we af. Door smalle straten met hoge huizen liepen we richting Ground Zero. Wie van het Centrum naar ­Amsterdam Noord gaat, komt in een andere wereld, en zo is het ook hier.

Alles is anders in Manhattan. Het lied dat de twee meisjes van een jaar of dertien met vlechten op West Street te zingen liepen bijvoorbeeld, zou je bij ons in Brooklyn niet gauw horen. Het stond in alle kranten. Johnny Kraaykamp had een platenzaak geopend, op de Parnassusweg. Dat was vlak bij het Spinoza Lyceum waar wij school gingen dus allicht dat we tussen de middag een kijkje namen.

Maar in plaats van Johnny Kraaykamp stond er een jongeman in een driedelig kostuum achter de toonbank. Hoe vaak we terug zijn gegaan om naar Johnny Kraaykamp te vragen, weet ik niet, maar vaak. Ik wou haar zo graag eens tussen de schoenen zien, dat ik vaak ben wezen kijken. Misschien stond ze wel te zingen van het fabriekje met leverpastei, maar nee, het mocht niet zo zijn. Willeke Alberti op het August Allebéplein was er ook nooit.

Iedere maandagmorgen was hij op zijn post. We gaan er eens goed voor zitten, op de mooiste plaats in de bus, met een heel raam en vrij uitzicht. Bus 22 naar de Indische Buurt, zolang al was ik deze reis van plan, dat ik vreesde dat het er niet van zou ­komen. Je kunt een heel leven op weg zijn naar een schilderij, een opera, een boom in een tuin, zonder ooit aan te komen, maar onze bus had het station verlaten en het avontuur was begonnen.

Het eerste wat ik zag, was het ­rode vuurtorentje dat je vanuit de trein ziet en waarvan ik maar niet begrijpen kon waar het stond. Nou, hier dus, vlak voor Station Sloterdijk. Een haringkar in de middle of nowhere, ik weet waar ik naartoe moet binnenkort. Na café Westpoort is het weer tijd voor een vuurtorentje, deze keer op het dak van Shurgard ­Opslag, waarna we zowaar langs de velden van SDZ Samenzang Doet Zonnebaden komen, waar onze kleindochter afgelopen ­zaterdag nog drie doelpunten scoorde.

Met de Spaarndammerstraat ­bereiken we bewoonde wereld en gebaande paden, maar het is een prachtige rit naar Oost die echt de hele stad laat zien. Op het Javaplein stappen we uit. Toen wij in de Czaar Peterstraat woonden, woonden wij in het krot van een vriend die naar Frankrijk was om daar tweede te worden in de Ronde van de Mont ­Aigoual. Af en toe kwam er uit ­Siberië en omstreken post voor hem die geadresseerd was aan Czaar Krappe. In het krot dat regelmatig ­bewees een krot te zijn, bijvoorbeeld door een stuk plafond naar beneden te laten komen of door de bodem uit de douche te laten zakken, stond een tv die het soms wel en soms niet deed.

Als ik op zondag Sport in Beeld wilde zien, deed hij het meestal niet, hoe hard ik hem ook sloeg. Wij woonden boven een sigarenboer, en aan de overkant zaten naast elkaar een slager en een visboer. Bij die visboer kocht onze vriend nadat hij terug was van het tweede worden in de Ronde van de Mont Aigoual een keer een haring. Die hij net op een bord had gelegd toen de telefoon ging en Nico Scheepmaker hem vroeg om als de bliksem naar Pinjum te komen, waar Nico woonde.

Waarop mijn vriend ogenblikkelijk in zijn Lelijke Eend met paddenstoelenbodem stapte en koers zette richting Afsluitdijk. Toen hij twee dagen later thuis kwam, lag daar op dat bord die haring. Weggooien was wegens in de oorlog geboren geen optie. Na mijn wekelijkse ­bezoek aan slagerij Robert Zikking op de hoek van het Hygieaplein en de Marathonweg, dat plakje worst is weer verdiend, sloeg ik de richting in van het Haarlemmermeerstation.

Ik liep aan de kant van de Sint Agneskerk en verheugde me op het zicht in de Lomanstraat dat zich nu ieder moment zou aandienen. De platanen aan weerskanten van de straat staan hier zo schuin, dat ze een driehoekige doorkijk vormen die mij altijd weer verbaast.

Een hoek verder, waar nu een Italiaan zit, zat vroeger een Melksalon. Over een tijdje is het een lunchroom geworden. Ik zing het nog wel eens. Bij de zebra stak ik over naar de Zeilstraat. Het pleintje hier heeft geen eigen naam, maar zou het wel verdienen.

Hier was de slijter met het emaillen bord waarop Bols iedere dag een glaasje aanbeval, daar was Clerkx Vondel Boekhandel, waar ik in het Verzameld Werk van Gerard-Kornelis van het Reve kocht, en waar nog heel lang De God Denkbaar Denkbaar de God heeft gestaan, dat ik niet heb gekocht. De tramhalte richting stad doet het hier nog ­altijd zonder vluchtheuvel, stelde ik vast. Ik wachtte tot ik in de verte de 2 de brug over hoorde komen en besloot toen lijn twee te nemen.

Als het om Engels voetbal gaat, ben ik altijd voor Arsenal, behalve als ze tegen Sunderland spelen. Dan ben ik voor Sunderland. Dat komt door de wedstrijd die ik Sunderland in of daaromtrent heb zien spelen tegen een vertegenwoordigend elftal uit de regio Amsterdam, de Zwaluwen of zoiets.

Ik was toen bijna 10 en ­opgegroeid met een Nederlands elftal dat altijd verloor. Als we speelden tegen Luxemburg haalde je opgelucht adem. De wedstrijd tussen de Zwaluwen en Sunderland vond plaats in het Olympisch Stadion.

Op een ­zomeravond, want lichtmasten waren er toen nog niet geloof ik. Hoewel het niet druk was, stonden wij op een jongensstaanplaats in een hoog vak, zo hoog dat de dappersten onder ons voor de wedstrijd begon een tijdje heen en weer konden rennen over de ­bovenste rand van het stadion.

De wedstrijd begon gewoon, dat wil zeggen dat de voetballers de bal naar voren schoten en er dan allemaal achteraan renden. Maar op een gegeven ogenblik gebeurde er iets wonderbaarlijks. Een van de Sunderlandspelers in zijn rood-wit gestreepte shirt met rugnummer schopte de bal precies voor de voeten van een medespeler.

Maar even later was er nog een Sunderlandspeler die het kunststukje uithaalde. De Zwaluwen verloren, maar voetballen was van een soort schaken met dobbelstenen in voetbal veranderd. Voor de Eddy Bar in de Gerard Doustraat stond een vrouw een filtersigaret te roken. Ze had lang blond haar dat ze voor een deel had opgestoken en droeg een legging met hoge hakken, de barjuffrouw, dat kon niet missen. De Eddy Bar leek me een café van het soort waar ik vroeger maar moeilijk voorbij kon.

Twee zwijgende mannen aan de bar en een derde die het hoogste woord voert. Hun bier drinken ze uit een pijpje, want de glazen zijn niet te hachelen. En als je even bent wezen pissen, drijft er bij wijze van grap een peuk in je flesje.

Op het Gerard Doupleintje aangeland, denk ik even terug aan Koekenbier, het prachtige café een paar straten verderop, waar het altijd zo heerlijk stil was en dat al weer jaar geleden definitief ­gesloten is. Alles verandert, maar blijft toch hetzelfde, want een eindje verder in de straat zweeft nog altijd de geur van vis.

In de vorm van fiches werden enorme bedragen op een groen kleed met nummers gelegd, waarna de croupier het wiel liet spinnen om als het balletje gevallen was het geld naar zich toe te harken. Er werden horloges ingezet, een Chevrolet cabriolet, hele winkelpanden, maar geen inzet zo hoog of hij ging verloren. Het is herfst en ik pel garnalen, want garnalen pel je in de herfst. Vond ik het als kind vooral een leuk werkje, inmiddels is het een vorm van topsport geworden.

Al pellend krijg ik last van mijn vingers, van mijn schouder, van mijn rug. Toen Annie Schilder nog niet van de BZN was, maar garnalenpelster te Volendam, mengde haar moeder om de gang erin te houden een paar koperen stuivertjes in de garnalenberg. Het is herfst en in het schemerduister rijdt de mosselkar de straat in. De carbidlamp schijnt zijn fel wit licht. De mosselman op de bok laat zijn roep horen en even later komen de vrouwen met hun emmers naar buiten.

De mosselman schept de emmers vol, een heerlijk geluid. Mijn moeder hield niet van mosselen. Maar ze was dol op garnalen. Ze haalde ze in een vergiet meen ik me te herinneren. Ik weet het niet meer. Bij de visboer dan? Als de visboer in de straat stond en ome Goof die bij de bakkers in de stad roggebrood bezorgde uit zijn bestelwagen stapte, verzamelden wij jongens ons in een eerbiedig zwijgen rond de kar.

Want zo dadelijk zou het wonder weer ­geschieden. Ome Goof gaat een rauwe schol bestellen om er vervolgens tot grote hilariteit van de vrouwen de tanden in te zetten. Mijn moeder heeft een kilo garnalen gekocht en samen zitten we aan de grote tafel te pellen. Er liggen kranten over het tafelkleed en de garnalen gaan in een witte kom. Af en toe mogen we een handje, maar niet te vaak. Het is herfst en lang geleden. Met je voeten in een teiltje begin je niet veel.

Ik zat met mijn blote voeten in een teiltje, de pijpen van mijn broek opgestroopt, geheel zoals het hoort, en keek een beetje om me heen. Overal zag ik boeken, boeken in kasten, boeken die tegen die kasten aan geleund stonden, boeken op stapels op de vloer, op stapels op tafeltjes, boeken in alle maten, net als eens de hoedendozen. Laatst sprak ik iemand die een hele kast vol niet gekochte boeken bezat. Van ieder boek wist hij precies waar en wanneer hij het niet had gekocht. En waarom hij daar nu spijt van had.

Toen ik de rij boeken onder de vensterbank vlak naast me ­bekeek, viel me ineens iets op. Er gleed water over de vloer, vrijwel onzichtbaar, zoals de zee doorzichtig over een zandplaat kan schuiven, een mooi gezicht. Met een kreet van ontzetting kwam ik overeind, maar het was al te laat, de hele bliksemse boel had natte voeten. Zo kwam ik een boek tegen van E. Forster dat De echo van de Marabar heette, maar zijn Passage to India bleek te zijn, een wereldberoemd boek dat ik nooit gelezen had.

Inmiddels heb ik het bijna uit, en dank ik het lekkende teiltje dat mij Forster schonk. In het museum in het voormalige Burgerweeshuis was een tentoonstelling waar een aantal brieven van Anne Frank werden getoond. Toen ik dat hoorde, was mijn opwinding groot.

Maar erg was dat niet, want de tentoonstelling was tot eind september, en het was half januari, tijd zat dus. Op de middelbare school had ik een leraar Frans die zijn eerste les in het nieuwe jaar altijd begon met de woorden: Toen ik me eindelijke bij het museum meldde, zei de balie­medewerker: De tentoonstelling is gisteren ontmanteld. Maar ineens is het eind oktober en ik ben nog niet geweest.

Het zal me toch niet gebeuren. In het boekje zegt voormalig buurjongen Bert Stoer: Thijssen had veel ruimte nodig; ik ging maar een beetje op één bil zitten. Er resteren nog zes kansen om onze nieuwsgierigheid te bevredigen: De gang van de Hoog­kamergang op de Oudezijds Achterburgwal is maar kort.

Al snel ­bereik je de binnenplaats waar ­tegenwoordig restaurant Blauw aan de Wal zetelt. Vroeger zat hier een café, maar hoe het heette, ben ik vergeten. Het restaurant is dicht, het is middag, maar de ­tafels en stoeltjes staan er zo uitnodigend bij dat ik plaats neem. Alles is mooi hier, van de gebouwen met hun gietijzeren brandtrappen tot de vijg en de rozen.

Maar het mooist is de kattentrap die naar een raam op een eerste verdieping leidt. Eerst is er opspringplankje dat aan een regenpijp bevestigd zit en dan is er de niet al te steile kattentrap met om de zoveel centimeter een bescheiden richeltje om de kat het klimmen en dalen gemakkelijker te maken.

Poes zelf, een lapjeskat, zit in de adembenemende stilte boven aan haar trap op mij neer te kijken. Tot ik wegga en zij haar blik afwendt.

Lang geleden had ik een ­afspraak met fotograaf Paul Blanca, die scherp in het pak Luxembourg betrad, met een koffertje in zijn hand. Toen hij na een eerste slok zijn glas neerzette, kwam de wijn in een golf omhoog, die zich vervolgens in duizend druppels deelde en Blanca bloedrood onder spetterde.

Later op de dag moest hij in verband met verdovende drugs even langs Roxykunstenaar Peter Giele, die in de Hoogkamersgang woonde. Giele is in gestorven, maar zijn naam, zag ik, staat nog op de deur. Alles wat begint, zal ook een einde nemen.

Zelfs het badseizoen, zoals dat vroeger zo mooi heette. In de weken die komen, wordt ons ­favoriete strandpaviljoen afgebroken en zullen slechts enkele palen herinneren aan de heerlijke middagen hier door­gebracht. Voorbij, voorbij en dat uitgerekend op de mooiste dag van het jaar. Alle terrassen in het dorp zitten vol, het pannenkoekenterras, het visterras, het ijs­terras, het patatterras, ja zelfs het drankterras zit vol. Tussen de vakantiebungalows door gaan wij richting strand­opgang.

Het laatste huis is het huis van Reddingsbrigade. Daar gaat de trap omhoog naar de strandslag. We passeren een klein meisje met een roze zonnebril en een blauw schepje in haar hand. Haar vader draagt het emmertje. Voor ons loopt een nog kleiner jongetje met zijn opa. Wij zien zeven zeiltjes. Op ons strandpaviljoen staat sinds deze zomer een gedicht. Het is van Jelles Pieter en het begint zo: We bestellen wat we altijd ­bestellen, en terwijl we van ons biertje en ons frietje genieten, kijk ik naar de roodharige kinderen aan het tafeltje naast ons die allebei een boterham met hagelslag eten.

Mooier wordt het niet. In de woorden van de dichter: Op de foto zit Karel Appel aan een tafeltje dat met drie borden gedekt is. Geen messen en vorken. Wat op zijn bord ligt kan ik niet ontcijferen. Er staat een stevige potkachel in de kamer en boven de schouw is een magistrale wandschildering met kinderen en vogels, onmiskenbaar van de hand van Karel Appel zelf.

Langs het raam staat een bed. In de vensterbank boven het bed zit een meisje met vlechten wijdbeens in de vensterbank, een voet op bed, een voet in de vensterbank.

Op de achtergrond zie je een rij pakhuizen. Het zijn de pakhuizen Januari, Februari en Maart. De foto is gemaakt in het huis Achtergracht Toen ik er voor stond om de boel eens goed te bekijken, kwam toevallig de bewoner aangelopen. Ed van der Elsken had hier gewoond.

En dan was er ook nog een wandschildering van Karel ­Appel. Toen ik afscheid nam, trok ik aan de trekbel. Op de grachten trek ik aan iedere trekbel die ik zie, maar ze zitten altijd vast.

Maar ­deze niet en die van de buren deed het ook nog, waarschuwde hij, de gelukkige bewoner van Afgelopen dinsdag had ik ineens het gevoel in een zonsverduistering te ­lopen. Het licht was anders, de schaduwen vielen anders, zelfs geluiden leken anders te zijn. Toen ik naar de hemel keek, zag ik een zon die ik nooit eerder zag. De zon is een vuurbal die licht uitstraalt. Wie in dat vuur kijkt, wordt meteen gestraft. Maar nu stond er een geeloranje schijf aan de hemel die nog het meeste leek op een volle maan.

En die zich als de maan straffeloos bekijken liet. Het vreemde was dat de hemel achter de zon donker was. Normaal gesproken zie je de zon ­alleen aan een blauwe hemel.

Vreemde zon of was het toch de maan? Omdat Marthe onlangs een zusje had gekregen, ging ik even bij haar op bezoek. Ze is bijna 4 en was vandaag voor het eerst naar school. Alle kinderen hadden het goed, het was de zon, alleen een heel erg domme moeder had het fout gehad. Terwijl ze het terras van Café Schiller installeerde, vertelde ­mevrouw Schiller me dat het kwam van het Saharazand en van de bosbranden in Portugal.

Had ze op de radio gehoord. Toen ik naar huis fietste zag ik aan het einde van de Lutmastraat de maanzon nog een keer hangen, groot en rond en rood als de voorbode van een Egyptische duisternis. Na een meanderende wandeling door de voormalige Jodenhoek stak ik aan het einde van de Nieuwe Uilenburgerstraat de brug over de Houtkopersburgwal over en belandde zo voor het Rembrandthuis waar het zuiltje staat met het gedicht van Jacob ­Israël de Haan: Terwijl ik de trap naar het Waterlooplein afdaalde, vroeg ik me af of ik nog meer van zulke versjes wist, maar dat schoot niet erg op.

Op het plein stond ik wat in een bak te rommelen toen ik werd aangesproken door een man die vroeg of ik was wie ik was. Nadat ik dat bevestigd had, vertelde hij me dat het huis met de bloedvlekken aan de Amstel, waarvan ik twee jaar geleden berichtte dat ik het niet vinden kon, wel degelijk bestond.

Een paar minuten later stond ik voor Amstel , waar ik mijn ogen uitkeek, geheimzinnige tekens, namen, een zinkende driemaster, alles rood als ossenbloed. Op weg naar huis besloot ik nog even in de Oudemanhuispoort te kijken voor je weet maar nooit. De man van zo-even stond er zijn boekenstal open te maken. Ontbeten met een ­haring, geluncht met een kroket en een biertje toe. Nooit geweten dat lantaarnpalen konden omwaaien.

Fietsen, dat wist ik, maar hoe fietsen tegenwoordig vallen, is niet meer van deze tijd. Toen ik klein was, deed je dat met dominostenen en later hoorde ik dat het daarom het domino-effect genoemd werd. Er valt een fiets, op het Roelof Hartplein laten we zeggen, en drie tellen later liggen er tot aan de Ferdinand Bolstraat fietsen op de straat.

Niemand die ze opraapt, maar toch staan ze volgende dag weer in het gelid en overeind. Inmiddels liep ik in afwachting van wat voor dag het dan wel worden zou door de Van Baerlestraat, toen een jongen in zijn remmen kneep en van zijn fiets stapte om een telefoon op te rapen. Zijn telefoon natuurlijk, maar ik zei: Wie meer wil weten kan het opzoeken in Brief uit Amsterdam van Gerard Reve. Het is onwaarschijnlijk hoe je de hele dag flauwiteiten aan elkaar kunt rijgen zonder op je nummer te worden gezet.

Het beste deden het de meisjes in de leeftijd van 9 tot 11 die bij Par Hazard op de Ceintuurbaan met kattenoren op eensgezind op hun eten zaten te wachten. Van het Zonneplein naar het KNSM-pontje loopt een muizentrap, links, rechts, een eindje rechtdoor en dan weer links, rechts, door de verbazingwekkende Nieuwe Zonnestraat, langs de Kometensingel waar in de voortuinen de appels aan kleine appelbomen hangen, en zo hup een industrieterrein op.

Vanaf een bankje kan je de schepen in de haven bekijken, bescheiden motorbootjes, heuse jachten, een ijsbreker. De roestbak ligt vlak voor haar neus, maar om de een of andere reden ziet ze hem niet.

Terwijl zij het water afspeurt, laat ik mijn aandacht treken door een reusachtige muurschildering van een zwartharig meisje dat me vaag bekend voorkomt. Anne Frank, dit moet ­Anne Frank verbeelden. Van alle lelijke muurschilderingen in de stad, denk ik, is dit wel de lelijkste. Iedere keer als ik er langs fiets schrik ik even.

Toch ben ik er aan gehecht, net als aan de prachtige Amy Winehouse op de hoek met de Fokke Simonszstraat iets verder op. En als je doorloopt, doorfietst, doortramt kom je vanzelf bij de Reguliersbreestraat.

Op de hoek aan de Amstelkant vind je daar het door graffiti aangetaste maar onverwoestbare portret van Dizzy Gillespie die hier al jaren sterren aan de hemel blaast. Heel lang waren IJ en wij van elkaar gescheiden, maar wie het busstation achter het Centraal betreedt, weet: Wat een uitzicht van deze hoogte, zo weids heb ik het IJ niet eerder gezien.

We gingen op expeditie naar Tuindorp Oostzaan, naar het Zonneplein, en om daar te komen ­namen we bus 35, uitstappen op de halte Maanstraat was ons verteld. Maanstraat, Zonneplein, Zonnestraat, het zijn namen die doen dromen en deze keer viel de werkelijkheid niet tegen. Van de Maanstraat liepen we de Orionstraat in, in nog uitgeroepen tot de mooiste straat van Noord, waar we genoten van de sierlijke voortuintjes en de versieringen aan de gevels.

Toen we een foto maakten, kwam de bewoonster naar buiten. Dat beaamden we en ik vroeg of ze wist hoe hoog het water was gekomen. Tijdens de Grote Overstroming. Maar dat wist ze niet. Ze had nog wel een foto waarop je de kogel­gaten in de muren kon zien van vlak na het bombardement in juli Even later liepen we door de poort van de Zonneweg het Zonneplein op. Maak van je hobby, je werk Quote Kristel: Zo lang ze niet de klant gaan tillen zal de ARBO ook niet veel kunnen doen.

Maar het idee is wel geniaal als je het mij vraagt. Zeker voor de vrijgezelle oudere werklui die toch al zat beungeld hebben. Goedemiddag mevrouw, ik kom u even doorsmeren. Ranie Senior lid WMRindex: Scoort vooral goed bij terugkrijgen belasting en loon.

O ja voor de mensen die het niet snappen dat stukje heb ik dus ff van die website gehaald he. Oooo, dacht dat he je eigen stukje op die site was.

Bcreatif Actief lid WMRindex: Dan vraag je je toch af, Is in principe niets meer dan een vorm van prostitutie. Ik vind het een slecht idee.

Soms hebben mensen met weinig geld ook een klein sociaal netwerk, zodat ze ook niemand kennen die de dienst voor ze kan regelen. Als er iets belangrijks kapot gaat, geef je ze zo ideeën waar ze later misschien spijt van krijgen. Oiki Senior lid WMRindex: Ik neem aan dat ze wel een condoom gebruiken. Ik zie het probleem er niet van in.

En als we allemaal aan ruilhandel gaan doen is de overheid ook in een half jaar failiet. Ten eerste moeten die werklieden dus altijd wel zin hebben En wat als je je klant heel onaantrekkelijk vindt.

En wat als je je klant heel onaantrekkelijk vindt. Juist want die zijn altijd aantrekkelijk Eerst gewoon striptease voor de webcam Hart: Klopt, en anders verzint de overheid wel een ruilbelastig.

Hoorde ik op de radio Gingen ze iemand bellen die Sjoerd zou heten, kregen ze een Jeroen aan de lijn, met kinderstemmetjes op de achtergrond, en die Jeroen wist van niks: Beetje raar al die betaling in natura.

Ik ook niet maar volgens mij krijgt ze na de tijd wel spijt als ik haar huis moet opknappen, denk niet dat het er beter van wordt. Gezocht een leuke meid die eten voor mij wil koken en schoon maken. Ganja Senior lid WMRindex: Roclan Senior lid WMRindex: Een meid wil een knecht ook al is de duivel zelf. Op een zondagavond wordt er bij haar aangeklopt en de duivel staat daar.

Ze heeft daar geen zin in en vraagt hem te wachten tot ze klaar is met afwassen. Hij stemt toe, maar ze komt niet omdat ze het….

Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage dinsdag 28 oktober Een meid wil een avond wel een vrijer hebben, ook al is het duivel zelf. De vrouw zegt de meid de duivel te laten wachten totdat ze afgewassen hebben. De duivel wil dat wel en ze wast heel langzaam af, op een kopje na.

De duivel moet te lang wachten…. Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage donderdag 23 oktober Een meid wil wel eens een knecht hebben, ook al is het de duivel en dezelfde avond staat een knecht voor haar deur.

Tijdens de afwas zegt haar moeder dat de man twee horrelvoeten heeft en dat vertrouwt ze niet. Het is de duivel en om hem weg te…. Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage woensdag 06 augustus Een meisje wilde eens een vrijer hebben, al was het de duivel zelf.

Die avond kwam er een jongeman aan de deur, maar de moeder van het meisje zag meteen dat hij een paardenpoot had. De moeder raadde het meisje aan de afwas voor zijn voeten stuk te…. Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage vrijdag 06 juni Een meid wilde op een avond een vrijer hebben, al was het de duivel zelf.

Maar toen de duivel inderdaad kwam, werd ze bang. Ze vroeg hem te wachten tot ze klaar was met afwassen. Toen heeft ze de hele vaat voor zijn voeten aan stukken…. Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage zondag 26 januari Een meid had al 99 vriendjes gehad, en wilde die avond de e, al was het de duivel zelf. Die avond na het eten kwam inderdaad de duivel.

Ze vroeg of hij even wilde wachten, zodat ze kon afwassen. Ze nam de borden en gooide ze voor de voeten van de…. Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage zondag 22 december Een boerenmeid verzucht 'zelfs met de duivel' te willen schaatsen. Die middag verschijnt prompt de duivel als het meisje aan het afwassen is.

Het meisje herkent de duivel aan zijn paardenpoot en de boer verzint een list om aan hem te ontkomen. Volksverhaal - CJ - [Zonder titel] sage woensdag 11 september Een gefrustreerd meisje verzucht zelfs de duivel als vrijer te willen hebben. Prompt verschijnt de duivel die avond als het meisje net de afwas aan het doen is.

bad meid meisje voor karweitje