homo pjes meesteres zoekt slaaf

Het mag iets merkwaardigs heeten hoe na afloop van het 26 e jaar van haar bestaan, de maat- schappij nog immer even trouw blijft aan haar scherp afgeteekend doel, hoe zij zich heeft weten te verjongen in den loop der jaren en wat al merkwaardigs zij heeft weten te leveren en nog immer levert binnen de grenzen van haren Hare laatste uitgaven leggen er een nieuw en welsprekend getuigenis van af.

Vooreerst ontvangen wij de vierde en laatste aflevering van den 26" jaargang van het tijdschrift der maatschappij met artikels over vier verschillende kunste- naars. Een door Max Lehrs over den schilder-teekenaar-etser-lithograaf Otto Greiner, met velerlei afbeeldingen naar zijne werken, onder andere een photo- gravuur naar zijn Odijsseus , een stuk dat de klassieke zuiverheid van vorm met de weekheid van het modern gevoel vereenigt, en de lithografie van een meisjeshoofd, La Ciuetta del Colosseo , een meesterstuk van leven, van malsch- heid, van kleurigheid.

Een tweede stuk geschreven door een Franschman, Clé- ment Jouin, geldt een Franschman, den onlangs gestorven etser, Marcelin Des- boutin, met eenige portretten door hem, zijn zelfportret onder andere, uitgevoerd met eene vettigheid, die de etskunst nooit had te zién gegeven, en die men eer voor een lithografie dan voor een sterk-waterplaat zou houden, maar die er niet minder verbazend mooi om is. Dan volgt nog een nota over den etser Georg Erler en een over een ets van Aartshertog Heinrich Ferdinand van Toskanen.

De eerste aflevering van den 27" jaar- gang brengt ons als bijlage een schat van Mittheilnngenvan historischen aard, de graveerkunst betreffende. In het korps der aflevering vinden wij een levenschets over den schilder-lithograaf Matthseus Schiestl met zijn ouderwetschen gemoedvollen trant: Verrassend in de hoogste mate is het, wat al nieuwe wegen de graveerkunst onzer dagen inslaat en hoe zij, naarmate men haar geweldiger uit haar gebied zoekt te verdringen, zich op nieuwe paden begeeft en nieuwe rijken verovert.

Niet het nieuwe om het nieuwe treft ons in al de veropenbaringen, die ons het tijdschrift van de Vervielfaltigende Kunst brengt, maar voortdurend echte diepgevoelde kunst, uitgedrukt op eigen- aardige, heel persoonlijke wijze.

Hetzelfde toont ons al even treffend de Jahresmappe van , bevattende zes groote platen: Wat een revolutie of wat een evolutie, wat een herleving! Hoeveel nieuws, waar wel wat halsbrekerswerk tusschen door loopt, maar waar ook zooveel schoons bij zooveel jongs in te bewonderen valt Dan komt van Max Svabinsky een groote plaat, alweer een litografie « Am Webstuhl », een jonge werkster, die de kriekende dag slapende vindt op haar getouw, een liefelijk en rijk spel van licht, heel teer harmoniëerend met het stil roerend onderwerp.

Die Vervietfalligende Kunst der Geyemuart. Hiermede zet de maat- schappij de kroon op de grootsche on- derneming, die zij twintig jaar geleden opvatte, die zij eerst ijverig voortzette en in de laatste tijden trager tot haar voltooiing liet komen. In de laatste afleveringen krijgen wij te lezen en te zien de lithografie in de Vereenigde Staten, in Denemarken, in Holland, in Frankrijk. Het artikel over Holland is geschreven door Jan Veth ; aan wien kon hel beter toeverlrouwd worden!

Als aanhangsel krijgen wij nog de photomechanische weergevingstel- sels: Ook in deze afle- veringen heerscht de steendruk, wel in min of meer verouderden vorm, maar toch nog veel doordringender van be- koorlijkheid dan men van die al te zeer miskende kunst zou verwachten. Doch, mag er hier wel sprake zijn van een onderwerp, dat uitgeput is ; kan, zelfs in aanmerking genomen, dat er onder al die schrifturen enkele uitvoerige en uitnemende studiën voorkomen, nu maar besloten worden, dat we over dezen schilder genoeg hebben hooren zeggen, hem in zijn kunst volkomen kennen?

Als antwoord mag de vraag gesteld worden: En nu, bij het bereiken van dien zeldzaam hoogen leeftijd, zien we terug in dit menschenleven, want het werd besteed ten bate van onze beste levensverlangens. Dan komt de eene overweging de andere uitlokken, en navoelend de emotie, bij zijn werken zoo herhaaldelijk ondervonden, gaan we zinnen op de betee- kenis daarvan, zoekend te bepalen waarde en hoedanigheid der kunst, die ze mocht verwekken.

Eenieder uit onzen tijd in ons land, en ook wel daarbuiten, die Onze Kunst Afl. Zijn reputatie behoeft, kan zelfs niet vaster gevestigd worden. Hij heeft naam als schilder van visscherslafereelen, meest als binnenhuis gegeven, en de « kenners» verstaan het, deze kunst te kenschetsen als de uiting van een dichterlijke ziel of wel te spreken over den meewarigen opmerker van het leven eener nederige menschenklas. De naam Israëls is tot een vlag gemaakt van modernen holland- schen schildersroem, en daar zijn teekenen van overschatting bij het toomeloos uitzetten van den roep over zijne verdiensten: Vóór het nage- slacht ons op de vin- gers tikt over den bluf met onze beroemd- heden, moeten we trachten naar rede- lijkheid in de veree- ring van onze groote tijdgenooten.

Rij alle rechtmatige waardee- ring van Israëls moet bij direkte waarde- bepaling zijner kunst de naam van Rem- brandt uitblijven. Hij was ook de kunstenaar van de aandoening, maar zijn zinnen raakten er niet door overstelpt. Tot recht verstand wil ik even opmerken, dat er niet bedoeld is beeldende kunstenaars voor te stellen als bouwers van wijsgeerige stelsels, afgescheiden van hun voortbrengselen.

Zij zijn wijsgeeren van aanleg, hun werken getuigen van hun levensbeschouwingen, maar de definitie is intuïtief en niet bedacht. Ze doen niet weten, maar voe- len; hun werk is als een catechismus zonder vragen. Door meerdere liefde voelt hij dichter hij zich de waarheid en het weten ligt daarin vanzelf besloten.

In de uiting van Israëls doet zich hij voortduring kennen een menschen-gemoed, dat gereedelijk begaan is met saillante levenstoe- standen, liefst in hun droevige of weemoedige momenten. Maar het ten tooneele brengen van bepaalde aandoeningen gaat zonder bewustzijn van de genadewerking aan den eenen, zonder argwaan van den onaf- wendbaren noodlotsslag aan den anderen kant. Israëls toont zich gaarne, en is ook oprechtelijk, in zijn werk de bewogen aanvoeler van Lief en Leed in het wedervaren van den evenmensch ; hij leeft het in zooveel tafereelen herhaaldelijk mee, zonder de macht van breede samenvatting der aandoeningen, die leidt tot bet inkeerend begrip van de diepe levenswerking.

En hierdoor is hij wel geheel een kind van zijn tijd; zijn kunst doortrokken van de huidige humaniteits-neigingen. Zijn aandoenlijk- heid, hoe roerend van menschelijkheid dan ook, lijkt me echter juist zijn zwakte, — zijn schielijke opgewondenheid, als in wezen van voor- bijgaanden aard, onvereenigbaar met de beweging van een kunstdaad die voor alle tijden is.

Een merkwaardig menscli is hij, mooi van ziels-be wegen, maar bij heeft niet de ingehoudenheid van gemoeds- uitstorting, de in zich-zelf beslotene waarneming van den waarachtig grooten kunstenaar, schijnbaar laatdunkend in zijn universeele wereldbeschouwing.

Releveeren we dus alleen maar, nu we duidelijker trachten te overzien den gang van zijn ontwikkeling, de voornaamste gebeurtenissen, als keerpunten in zijn bedrijf. Dit wat de geestelijke vorming of het ophouwen der eigen verwachtingen, betreft. Een schilder, die zijn onderwerp mooi of verhe- ven had uitgedacht, was al halverwege op weg; hij was geïnspireerd. De arbeid zelf had te voldoen aan vele voorschriften, die gebrouwd waren uit verleden schoonheids-uitingen; een mengsel soms van de beginselen der klassieken voor den vorm, met het pathos van een rembrandtieke kleur.

Met zijn edele zielsneiging en schoolsgevormden smaak tot uitgang Kruseman heeft immers Israëls eens gewaarschuwd voor het bederven van zijn smaak door het schilderen van een onbehagelijk oud-vrouwen gelaat moest de schilder zich dan met vlijt toeleggen op een foutelooze tee- kening en uitvoerige schildering, al naar het gezag der gesanction- neerde wetten. Hij moest de compositie welstandig ordenen, de figuren indrukwekkend maken door houding en gebaar, met op het gelaat een goed-sprekende uitdrukking, het type echter gekozen naar aesthe- tische regelen en vervolgens ijveren voor de uitbreiding van zijn vak- ervarenheid, trachten het record te slaan van breede en tegelijk alle détails-preciseerende schilder-trant.

Naar twee richtingen uit bewoog zich toen de schilderkunst in Holland. De een met bescheidener po- ging trachtte het voetspoor te herwinnen van de groote zeventiend- eeuwers; ze vonden onderwerpen uit voor hunne schilderijen, onder- werpen gekozen uit het gewone leven om hen heen, liefst met een boeiende intrigue.

De ander in stouter ijverzucht naar de heroïeke of verbeeldingtreffende aanslag van de Romantiek, snuffelde de onderwer- pen uit historieboeken en beroemde epische poëmen, of waagden het op eigen dichterlijke gedachten uit te wieken. De Franschen vooral hadden hen begeesterd. En het eigendommelijke van hollandsche kunstuiting kon wel niet verder uit zijn voegen raken dan bij die beoefening van het genre « groot historiëel ».

Een hollandsche schildersaard is naar dien kant maar zeldzaam aangelegd. En kan dan ook wel van die beweging Rubens als een voorname opstuwer worden aangewezen, is dit juist een aanleiding om op te merken, dat nooit de afstand in geestesrichting der twee Nederlanden grooter is geweest, dan in den tijd dat Rubens te Ant- werpen werkte en Hem brandt te Amsterdam.

Museum te Amsterdam, zijn de natuurlijke vruchten van zijn opleiding. Toch laat deze uitgang zich bij een kunstenaars-aard als van Israëls nog wel aanpassen en hoe ,groot daarmee de afwijking van zijn latere kunst ook schijnt, is er in zijn visscherstafereelen een grondtrek na te sporen van den jeug- digen aandrift tot het maken van historiëele schilderijen. Maar de pathetische beweging der jeugd is gerijpt tot constanter gemoeds- warmte; de waarachtigheid van zijn gevoel deed hem inzien, dat die groot-geroemde kunst leeg was aan menschelijkheid en zoowel in natuur-waarneming als in uitdrukking, ver om het werkelijke leven heenging.

In zijn oeuvre is eigenlijk niets van een kentering te bespeuren; zooals het straks reeds gezegd werd is zijn ontwikkeling heel geleidelijk gegaan; langs één gang is hij gekomen tot zijn volle kracht.

Bekend is het, dat Israëls na zijn leertijd bij Kruseman naar Parijs vertrok en daar op het atelier kwam van een franschen schilder.

Meer zeker heeft de nieuwe omgeving op hem ingewerkt. Het verblijf in Parijs moest uitzichten voor hem openen en gewaar- wordingen doen ontluiken, tevoren in den vaderlandschen schoolkring ongekend. Hij stond daar ineens te midden van het sterk bewogen kunstleven, waarvan hij zich allicht reeds in gissingen verdiept had naar overgewaaide weerklanken.

De beweging kon hij nu in volle bruising waarnemen, en de veeltallige, hevige indrukken, zoovele ver- rassingen met gretigheid ondervonden, moesten een geheele opschud- ding te midden van zijn rustig gelegerde kunstopvattingen en zelfver- wachtingen teweeg brengen.

Een omkeer kon daardoor niet worden teweeggebracht, maar als reactie, een gunstige herleving. De wijziging in zijn kunstuiting zal toen nog maar voornamelijk naar het uiterlijk geweest zijn ; betreffende de uitoefening zelf, zich voegende naar toen aangewonnen begrippen over vorm en strekking van het schilderij- wezen. Zijn palet was al wel veranderd, minder echter naar wat door oorspronkelijke natuurstudie tot kantig bewust- zijn was gekomen, dan onder kennisnemen van den kleurenkeus, die hij op de ateliers der modernen had heerschende gevonden.

En met de aanhankelijkheid aan nieuwe idealen ondernam hij het schilderen van tragische gebeurtenissen uit het visschersleven. Een zeer merk- waardig specimen van dien tijd is het levensgroote stuk De gang langs het kerkhof. Een stoere visscher is met zijn twee kinderen, — een kleintje op den arm en zijn zoontje aan de hand — genaderd aan een hoog opge- schoten bosje duinhelm, waarin een houten kruis het graf zijner vrouw aanduidt. Maar wat hier te prijzen is, staat vreemd aan den geestelijken zin van het werk ; de kwaliteiten zijn er alleen aangewend, om de voordracht van een som- ber tooneel van imponeerende luidheid te doen zijn.

En na dit werk werden vele andere tafereelen JOZEF gegeven, die ten doel hadden den druk en den kommer van bepaalde ISRAËLS levenstoestanden aanschouwelijk te maken ; zonder echter te geraken tot uitdrukking van het barre wee, als blijk dat naast den medelijdenden waarnemer, de wijze overweger het werkelijk schrijnende ervan invoelde alsnog geen ander. En dan noem ik niet: Een dramatisch kunst- werk is niet zoodanig, wijl het geeft de bloote voorstelling van een aangrijpend levensvoorval, maar als het verhaal wordt gedaan, de voor- stelling wordt gegeven naar de visie, die de kunstenaar geheel per- soonlijk van de handeling der gebeurtenis heeft gehad.

De handeling, niet gelijk die werd waargenomen naar uiterlijke kenteekenen of passende omstandigheid, maar zooals die uit de werkelijkheid werd herschapen in uitbeelding van het tragische of komische voorval als manifestatie der eigen inzichten en levensopvatting van den wetenden aanschouwer.

En het drama- tische is niet alleen te vinden in aangrijpende voorstellingen ; het is te lichten uit alle levens-gebeuren, zoowel waar het zich heftig open- baart, als waar het zijn effene regel-gang vertoont. Israëls kiest gaarne als onderwerp voor zijn schilderijen levens- toestanden die in hun zintuigelijk wezen reeds zielstreffend geheeten worden; hij is daarbij innig aangedaan en geeft er de vertolking van met veel warmte zonder nochthans een dramatiseering van het leven te geven.

Kunst heeft, zoomin als tot moraliseeren, de strekking tot opwekken van mededoogen. Israëls kunst preekt te veel het medelijden. En zoo hij minder oprecht is in aangedaan-zijn, wordt zijn uiting sentimenteel of theatraal. Zoo is — om er een te noemen, die ook wel eens met Israëls ver- geleken wordt — Millet een dramatisch uitbeelder van zijn landwer- kers, en staat hij, hoe immens het verschil van onderwerp zij, toch dichter bij den grootsten dramaturg in de beeldende kunsten, met zijn abstracte levensbeschouwing: Hier een wel natuurlijke maar toch vormelijke pose voor het beeld van verslagenheid, — daar in de weduwefiguur, in heel haar houding, van af de lichte kantel-beweging van het hoofd tot aan den nerveuzen handgreep in den zakdoek op haar schoot — met minder toeleg van pose, de integrale uitdrukking van een ziels-gedruktheid, waarvoor alle beschrijvende woorden als kwalifikatie eener ontroering, onvol- doende blijven.

De onderwerpen zijn bij Israëls meestal van tragischen aard, maar de inkleeding is ons steeds gemeenzaam. De gang langs het kerkhof. We worden niet geslagen door een plotselinge onverwachte aanwijzing van levens- jammer, die blijft naschrijnen, zooals bijv.

Zooals een tooneelspeler de sentimenten, die hij vertolken moet te beheerschen heeft, zoo heeft een schilder zijn eigen leven te stellen in aanschouwing boven de figuren, die door aandoe- ningen getroffen zijn. In hoever de tooneelspeler buiten de werkelijk- heid heeft te treden is reeds duidelijk uit de omstandigheid, dat hij zelf in zijn rolvervulling weer kan geïmiteerd worden. Nemen we nu naast elkaar de Visscher van Zandvoort en de Gar- nalenvisscher , daar we in het laatste stuk den meester in de volle ontwikkeling van zijn macht en gaven kunnen zien, terwijl in het eerste de nog onzekere wending is naar een beslisten uitgroei.

Wat is nu het verschil tusschen deze werken? De dramatische uitbeelding bij de Gang langs het kerkhof , zooals die bedoeld werd, trachtte zich te doen gelden door het aanbrengen van toepasselijke mise-en-scène ; theatercoullisses en grime, zou ik haast zeggen: Neem nu de Garnalen - visscher en in de opvatting van die figuur, van zijn houding, van zijn vorm wezen, van zijn bewegen, van het geheele karakter zijner ver- schijning, bepaalt de wijziging alleen zich door de uitdrukking van de lichamelijkheid.

Het verschil doet hier onderkennen de levensessentie van Israëls kunst: Hij is geen kunstenaar met zelfmachtige stuur bij zijn uitzegging, die door vorm en houding van het zichtbare natuurbeeld is doorge- drongen tot de wellen van het leven ; die, wat het oog heeft bekoord en de ziel ontroerd, als in omwenteling van de werkelijkheid, heeft gedwongen binnen straffe lijnen en vastgelegd in gesloten kleur; zelfs niet de kunstenaar van reflexie, die zijn impressie verwerkt tot indruk- wekkende vormgedaanten en b ree de kleur-accoorden.

Schels voor liet schilderij Lenteleven. Eigendom van den Heer Hidde Nijland , Dordrecht. En wat hij deze eigen- schappen zijne opvatting bepaalt en hem tot den bij zon deren kunste- naar heett gemaakt, zooals we hem kennen, is dat zijn waarneming, zijn vatbaarheid voor picturale bekoringen, gefilterd wordt door een voor humanitaire ontroering zeer toegankelijk gemoed.

Hij is de kuns- tenaar van de stemming, en hij zijn kinderlijken hang naar wat men noemt poëtische tafereelen, maar tevens met oprecht streven naar waarheid in natuurvolging, heeft hij in liefde voor zijn onderwerpen de meest verscholen hoekjes der intimiteit van visschershutten en grauw-belichte landschappen gegeven. En daarom is het wel vooral, dat zijn schilderijen altijd treffen, wijl een bewogen e van hart zich daarin geuit heeft. Museum te Amsterdam het is één timbre, dat met zeer gevoelige natrillingen zijn klank overal doet hooren.

Studie van een hond. Wanneer we in Israëls als dramatische kunstenaar dan al een dilettant willen zien, toont hij zich in de daad een schilder van het zuivere ras. Wel mei recht wordt hij zoo vaak een grootmeester van de tegenwoordige hollandsche school genoemd. Geen misschien is er onder de modernen wiens arbeid zoo vreemd is aan alles wat naar stelselmatigheid zweemt.

Zijn handeling gaat recht en onbevangen op het doel af, en zelfs niet een methode, die als een eigene, nog van gewettigde toepassing kan zijn, is bij zijn schilderen vast te stellen.

Zijn werk-wijze is niet te ontleden, lijkt zelfs vaak slordig, in ieder geval ongeschoold, zoodat men bij het naspeuren van de bewegingen zijner techniek zou kunnen uitroepen: Zijn schilderijen, op de hand gezien, vertoonen een embryo van gebroken, welhaast gore tin- ten, waarin overgangen en tegenstellingen nauwelijks te volgen zijn.

De stellingen, die wel eens worden voorgehouden om de gedragslijn aan te wijzen bij de kunst van schilderen —: De werkelijkheid bevat om de bekoring van haar eigen verschij- ning voldoende stof voor de bevrediging van dit schilderstempei ament. Zijn waarneming, zoo gretig aangloeiend tot sensatie, onderhoudt de direkte aanvoeling van de minste kleur-combinatie, de fijnst-gespannen toon-trilling. Zoo is Israëls een der groote voorlichters over de beteekenis van het Impressionnisme.

De hoofdwaarde van zijn arbeid is te vinden in de spontane uiting van innige en onmiddellijk aandringende aandoenin- gen, in een vloed overstelpend het bewuslzijnde waarnemen. Maar de ziening van de uitschijning der dingen vormt zich hier heel bijzondei onder impulsie van een persoonlijken menschen-aard, speurend in het Reëele zoo gaarne naar wat als vertolking van het roerend-intieme of treffend-sobere in het leven tot uitdrukking kan komen.

JOZEF Zijn teekening zonder eenig vertoon van kranige halen of rake lijnen, ISRAELS maar gedaan met een van bewogenheid bevende hand, als tastend naar den levenskern in de beweging van gebaren en houdingen, is van doordringende expressie. Wat hij de omwenteling in de literatuur de voorname doeleinden waren, — het zuiveren der taal van gemeenplaatsen en bot-weg over- 0e nomen beelden, het zelfmachtige bouwen van den stijl naar persoon- lijke zienswijze en uitings-drang, maar vooral de nauw klemmende woordvorming tot overtuigende uitzegging van natuurwaarneming, — daarbij zijn zeker wel invloeden van de moderne schilderkunst, met name het Impressionnisme, in werking geweest.

Ongetwijfeld, dat deze twee kunsten in streven belangrijk naar elkaar zijn aange- dreven en dan vooral de literatuur naar de schilderkunst. Bij een studie nu, over dit niet zoo verwerpelijke onderwerp, zou de schil- dersuiting van Israëls als zeer bruikbaar materiaal kunnen dienen. Meest schildert hij wel binnenhuizen met hun schemerende hoe- ken, en stille licht-druiling, maar hij kan zich ook vertrouwelijk ma- ken het leven van andere omgevingen, als kader voor zijn figuren.

De zee, die hij zoo dikwijls gaf, als het blijde tooneel van spelende kinderen, of als het barre arbeidsveld voor de visschers; onder ver- schillende gedaanten dus. Nu in alom uitgespreid helder middaglicht over dartel watergevliet, dan als de zwaar omwoelde vlakte, barsch donkerend onder gefrons van onstuimige luchten. En ook hier heelt hij alle toonen van het sujet doen klinken; zijn onbestuurde schilder- ' wijze gaf de levende overzetting in kleur en beweging van het blijde licht-schateren uit helderen hemel over het grenzelooze water, dat aanwiegelt in zoete rimpeling, zijn golfjes vergruiselend in blinkers van doorschijnende reflexen, maar verderop rustig zich gaat uitbreiden, tot het, onmerkbaar vereffend, zich als spiegelvlak overschouwen laat tot aan den horizon.

Ook in zijn landschappen is het bovenal de stem- ming die zijn werk treffend doet zijn. Het buiten, geheel en al gevoeld in samenhang, met het leven en de doening van de figuren. Ook dan meestal het thema van grijs. De hemel begroeseld met regenwolken, de landen bedropen door sproei uit een nevelende atmosfeer, de hoornen met verdoft groen in wankeling dragend hun kruinen, de huizen, armoedige woningen, als onbeholpen in hun vormen neer- hellende rustieke bouwsels.

Dit alles geeft aan zijn landschappen een schijnsel van droevigheid, en zonder achtergedachte van indrukver-. Op weg naar Huis, aquarel. Van het hollandsche landschap met zijn immer boeiende tinten-harmonieën, heeft hij de bekorende impres- sionistische afbeelding in vlot-treffende schildering weten te geven ; maar de mysterie van wijd-strekkende landen met eenzame wegen, heimelijk over de ruimte heensuisende boompartijen, heeft een eigen, voor zijn menschelijkheid vertrouwelijk lied uitgezongen.

In de grijze waden van de mistige atmosfeer is daar in blijven nazuchten een stemming van stille melancholie bij het zien van dat verlaten buiten- plekje, waar een arme schuitenvoerder plotseling kwam voorbijgaan. Hier ook geen spoor van aan- geleerde methode of door routine verworven handigheid. Hij let weinig op de kenmerken der constructie van het mensehelijk gelaat, weet, zou men zeggen, niet waar het beendergestel naar het uiterlijk zijn charpente vertoont en hij heeft zich geen houvast aangewend voor den eigenaardigen bouw der groote onderdeden: Hij tracht zonder nevenaanschouwing direct de levensuit- JOZEF schijning te benaderen, en waar hij daarvan de accenten vindt, noteert ISRAELS hij ze in achtelooze penseelvegen, wrijft ze uit in ongesmukte of onbe- raden kleurmenging.

Bij alles wat Israëls doet, ook als hij een voorop gedachte aandoe- ning wil kenbaar maken, komen zijn werkelijke hoedanigheden tot uiting — hoedanigheden van een geboren schilder, die het leven bewondert om zijn uitschijning in kleur en lijn, zich verzadigt aan bet bemerken van tegenstellingen, maar wiens kunst een zeer eigenlijke aanslag heeft, daar de zienswijze der tint-verhoudingen en het karakter der vormen zoo nauw voeling hield met een warm hart, dat behoefte heeft zich te ontroeren bij het gebeuren in de gekozen tafereelen.

Hij is als waarnemend schilder een fijnbesnaarde van gemoed als Mauve, maar naar andere zijde ontwikkeld, en onder de hoofdmannen der modernen staat hij dichter tot hem dan tot Jacob Maris en Bosboom. Wat Israëls nog voort zal brengen, hoelang hem daartoe nog het onderhouden van zijn oude jonge kracht zal gegeven zijn, we kun- nen het niet gissen. Maar zijn Zandkruiers , dat volrij pe en frissche werk van zoo jongen datum, getuigt dat de drang nog steeds in hem sterk-levend is.

We kunnen niet altijd de veerkracht van eens men- schen handeling meten naar zijn jaren! Niet om de volledigheid der uiting, noch ook omdat het de Zwart van zijn meest bekenden kant typisch karakte- riseert, maar juist om het speciale in de vizie, het heerlijk verzorgen van enkele partijen als de paarden in het zilveren strandlicht en de pikante tee- kening van het zwarte figuurtje, ver- dient dit specimen mijns inziens hier te staan. Van Breitner was er een nieuw groot schilderij van het Damrak met den toren der oude kerk boven de huizen uit.

Na een vorig stuk dat de mooie rij oude huizen met hun veelzeggende raamgaten en hun bonte wisseling van oud-roestige, grijs-verweerde en nieuw- geverfde achtergevels te zien gaf, was dit veelmeer een compleet schilderij. In plaats parallel met de lijst, dus vlak en face zoo te zeggen is hier van het Damrak waarvan een schuin stuk als voorgrond den rechter hoek vult, de overkant perspectivisch gezien en wordt juist die naar rechts afschuinende lijn prachtig gevangen door het verti- caal opstaan van de kloeke open toren- spits.

Het is meer een compleet schilderij zeide ik straks zonder daarmee te willen aanduiden, dat het, zooals meestal, een zwakkere uiting is, dan de eerste con- ceptie van hetzelfde geval. Alleen de voorgrond met zijn blonde zandkleur waarmee het bloeiende rood van kinderkleertjes een charmant bou- quet maakt, is even bevreemdend voor wie Amsterdam kennende, dit voor een effect bejagende fantasie van den schil- der zou houden.

Wie echter weet hoe tijdens den aanleg van de electrische tramlijn werkelijk geruimen tijd de ge- heele straat met zand besprek! Aan den anderen kant leert ook dit weer hoe gevaarlijk het is voorbij- gaande en niet algemeen bekende toe- valligheden te vereeuwigen, die hoe bekoorlijk ze ook schijnen ons altijd aandoen als ontdekten we bij een ouden bekende een nieuwe, onverklaarbare en daarom even verontrustende karak- tertrek.

Naar wij vernemen is het stuk be- stemd voor de tentoonstelling te St. Met de welwillende toestemming van de firma E. Alleen Jozef Israëls was voldoende en zelfs goed vertegenwoordigd. Onder zijn teeke- ningen verdient zijn Visscher te paard , een bizondere vermelding; de kloeke gestalte op het forsche dier is in eenige vegen met de groote mate van plastiek weergegeven van meer beteekenis dan zijn teekeningen, hoewel die meer onmiddellijk de opvatting van den kunstenaar weergeven, zijn zijn etsen, waarin hij zich als den meester doet kennen, die in alle opzichten de tech- niek volkomen machtig is, niet maar op de een of andere eenzijdige manier KUNST- BERICHTEN UIT BERLIJN Vla.

Den allersterksten indruk ontving ik van zijn ets de Blinde die hooge, gebo- gen gestalte, de rechterhand op zijn stok geleund, en met de linker tastend langs den muur. Wat daarentegen Isaac Israëls tentoon had gesteld was wellicht wel beter en portefeuille gebleven, alleen zijn Gracht en Straat in Amsterdam verrasten ons door het trillen van de vochtige lucht, hetzelfde efïekt dat hij ook in zijn eenvoudige zwartteekening bereikt heeft.

Van de etsen van Armand Rassenfosse verdient zijn Studie , een zittende vrou- wenfiguur een bizondere vermelding. Dat echter bij Toorop, als bij zoovele andere symbolisten het gebrek aan techniek niet de drijfveer is, wordt duidelijk bewezen door zijn heerlijke schilderingen van landschappen en menschen. Een ongemeene bekoring ging er uit van het stukje Kindervreugd drie kleine meisjes, die op uiterst be- vallige wijze staan te dansen, terwijl een, dat een beetje ouder is, met een bril op haar neusje, viool voor hen UIT DORDRECHT speelt.

Haar oogen, die sehnsüchtig het dansen van de anderen volgen zeggen ons dat ze al veel bitters in haar leven ondervond en al afstand deed van veel geluk. Dit alles lijkt eerst niets, maar krijgt pas zijn ware beteekenis door de oogen, die van een ondoorgrondelijke diepte zijn en die met zulk een verlangen in de verte sta- ren — als haalden ze daardoor alleen den liefste terug.

Jef Lambeaux heeft hier grooten indruk gemaakt; in zijn allerliefste beeldjes kan ik echter geen sterke persoonlijkheid ontdekken: Zijn geweldige Adam en Eva vertoonen mede een groote trek; terwijl bij Eva de zieleëmotie geheel ontbreekt, drukt bij Adam het geheele lichaam, evengoed als het gezicht, schaamte over het ge- beurde en een klacht over het verlorene uit.

Hoogst interessant, en met al het gewicht van zijn kracht uitgevoerd, is een nieuwe oplossing van het Laokoon vraagstuk; de vader door slangen om- wonden, in het midden, de eene zoon aan zijn rechterkant, hangende met het hoofd naar beneden, de andere aan zijn linkerzij, met den rug tegen den vader aan en alle drie tegen elkaar gewron- gen door de vreeselijke kronkels van het slangenlijf.

Ongelukkiglijk, zoekt men vergeefs naar een standpunt, van- waar men het geheel duidelijk kan overzien: Is het niet, ge kunt een vaas opvatten en- kel als een schoon stijgend lichaam of als een zulke nog ver- sierd met beesten er over kruipend, versierd met voorwer- pen zooals ik eens bronzen zag: Ik wil niet ontkennen dat mijn voor- keur gaat naar vazen niet versierd, die enkel door de schoone welving van buste en ranke vlucht van hals een edel geheel formeeren en voor het oog in hun volle doffe kleur rijk zijn als een rijk schilderij.

Ik weet ook wel dat er van de tweede soort zijn waar op de buiken, beesten, zeer schoon gemodelleerd 54 kruipen en die zoodanige zijn dat ook uw zin voor het fraaie niet armoedig verder gaat, integendeel stijgt verrijkt, Maar beschouwt ge dan niet eigentlijk als twee afzonderlijke voorwerpen: Er is weinig reden tegenwoordig om zoo kritisch te werk te gaan en ge moet gewoonlijk gauw verheugd zijn, wilt ge ten minste eenige genoegens u zelf vin- den.

Een metalen vaas, hoe is ze tegenwoordig? Vroeger waren ze kloek, met vollen vorm, met vollen wrong in het edel smeltend, vlietend metaal, tegenwoordig zijn ze zoo niet meer: Wat de Dortsche nieuwste Kunstpot- terij betreft, zooals ik ze nu zag, is er weinig heil aan. De vorm is niet bizon- der noch nieuw de kleur; men siert soms als op bronzen vazen, en de beesten die versieren, die op het lichaam der vazen geheven zijn: En zóó, dunkt mij, is men er nog niet, en komt men er niet.

Potten zijn geen dingen die je op goeien dag zoo eens even gaat maken met een 2 de rangs be- gaafdheid in boetseeren en een kleur- gevoel van dezelfde soort. Een pot is een « kunstwerk »: Een kunstenaar dit vervaardigend spilt zijn zorgen hier niet aan, maar is een ding schoon en gegoten van schoon metaal, zoo is ook dit weer een winst te meer voor ons.

Dit kan ik niet zien, op verre na niet, in deze nieuwste hollandsche potterij. Het is niet edel, niet schoon, het is niet machtig: Maar be- ter kent hij de realiteit der verbeeldings- wereld. Hij geeft historie-stukken, maar ze zijn verdicht. Hij schildert de Ver- zoeking van den heiligen Antonius en hij zal zich uiten op eene wijze die weinig of niets onwaarschijnlijks heeft — hij voelt het reëele van het verbeeldings- leven boven de realiteit van het al- daagsche gebeuren, maar hij mist ook die tweezijdige en, daarom, aller- omvattende macht der groote geesten, die het reëele zien als iets puur-ideëels en het ideëele kennen als de waarach- tige realiteit.

We hebben hiermee al voldoende te kennen gegeven in welke sferen deze schilder zich het meest eigen beweegt. Een bijbelsch onderwerp, Het Paradijs, behandelt hij op eene wijze die den fluweelen Breughel in herinnering roept. Dan weer voor Sabatana, n° 15 noopt hij u de persoonlijkheid van meester Lucas van Leiden binnen den kring van uwe vergelijkende aan- dacht te brengen.

En telkens zult ge dan — wat den laatste schaadt — die meesters be- kwamer en vooral gewisser vinden dan dezemoderne, die, beheerscht doormeer dan een invloed, nochtans een eigen per- soonlijkheid sterk genoeg doet spreken. Daar, waar zijn verbeelding hem den tijd geeft en de bezinning nauwkeurig en nauwgezet naar zijn ingevingen te werk te gaan, is zijn techniek veelal bewonderenswaardig b. De reeds genoteerde Verzoeking van den H.

Antonius gaf in verst doorgevoerde eenheid stemmingen psychologie, maar scherp ziend met het oog van uw geest zult ge dat psychologisch vermogen niet immer diep vinden Het Paradijs.

Over Henricus kunnen we ditmaal uit ter aard kort zijn. Wat hij hier liet zien zijn teekeningen: De Kunstkring bracht van werk als dit laatste reeds vroeger een tentoon- stelling en ook hier is dit genre supé- rieur aan het meer direct illustratieve. Maar met dit al, was er op die vorige expositie niet een fantastisch belichte, Oostersch-nachtelijken volksdans, die, met enkele andere pastels, iets van stérker uitgesproken karakter beloofde. Maar wie maar ééns op een mooien avond langs den Rotterdamschen Maaskant naar de Boompjes is geslenterd weet voor altijd, dat dit voorbarig, onberedeneerd ge- zwets is.

En wie in berglanden de rijzige viaducten heeft zien strekken boven schemerig blauwen afgrond, kent die wonderlijk nieuwe huivering van schoon- heid, de eerbiedwekkende kracht, die van deze trotsche bouwwerken uit een veelbedwingend tijdvak zegevierend uitgaat.

Maar het is vreemd, en zij hier gezegd zonder enkele uitzonderin- gen te na te spreken, in drie van de vier gevallen schijnt deze schoon- heid gansch en al onbewust aan dwingende eischen van noodzakelijk- heid ontsproten te zijn; en ware het cijfer, dat hij het ontstaan van alle ingenieurswerk zulk een groote rol speelt, van nature een minder onverzettelijk en onwrikbaar tegenstander, liet het meer met zich sollen, dan zou het dunkt ons nog twijfelachtig zijn, of een ontwik- kelde schoonheidszin de bouwmeesters tóch tot deze voortreffelijke oplossingen zou hebben genoopt.

Trouwens het bewijs van het tegen- deel is voldoende geleverd, want waar het maar even kon lijden, hebben diezelfde meesters, ten gerieve eener versleten conventie zelfs de praktische eischen ter zijde gesteld en in de meening zóó iets aangenamers voor het oog te bereiken, die afschuwelijke gedrochtelijk- heden geschapen als de groote spoorbrug te Keulen met het duizeling- wekkend getralie der gekruiste ijzeren latten, en zooveel andere misgeboorten, die maar beter verzwegen zijn.

Al schipperende trachtte Onze Kunst Afl. Maar het is niet in de eerste plaats de ijzeren brug, die pas geboren haar afkomst van noodzakelijkheid en moderne wetenschap alreeds verloochent, ook de tegenwoordige steenen brug, doet haar zooveel ouder geslachtsregister oneer aan.

Doch tot voor weinige jaren was het met dit artikel van publieke zorg niet anders dan met andere bouwwerken der stedelijke bureaux. Het werd weleens dragelijk, als er zich bij toeval een kunstenaar mee wilde of mocht bemoeien ; maar gewoonlijk werd het niet fraai.

Rondweg uitgesproken bestonden er in de materie bruggen in liet geheel geen esthetische eischen, behalve dan een vaag verlangen naar praal en pracht, dat uiting vond in de couranten-organen van het publiek en bevrediging in de meest avontuurlijke aanhangsels en uitsteksels aan de minverzorgde karkassen, waarmee de stad aan de burgerlijke wenschen tegemoet kwam.

Dat paste nu eenmaal zoo in onzen tijd van smadelijke gedachteloosheid bij alles wat maar even buiten direct praktisch nut of de fanfaronneerende reclame viel. Sedert liep de wind om, ja het schijnt haast of in de slapend gewaande stad een wonder zal gaan gebeuren, of tegen alle usance in het stedebewind voortvarender en vooruitstrevender zal blijken dan de burgerij.

Verre van gehoor te schenken aan de conventioneele eischen onzer deftige notabelen zullen de gewoonlijk zoo conser- vatieve Heeren van de groene tafel, op gevaar af van impopulair te worden, aan de deerlijk verminkte en valsch geschminkte stad weer gaan geven wat hen van hooger standpunt oorbaar schijnt.

Men moet er daar bij de overheid ten minste weer ernstig over gedacht hebben, want anders zou de jongste Amstelbrug zeer zeker niet geworden zijn als zij velen ten spijt, enkelen ten genoegen en den meesten heel- en-al onverschillig, thans geworden is. Daartoe moeten we het type van de Amsterdamsche « sluis » eerst kort in alge- meen overzicht behandelen.

De ontwikkeling van dat type te schetsen valt gemakkelijk genoeg. Waar men in de 16 e en 17 e eeuw voor getimmerde BRUGGEN jukken den gemetselden boog in de plaats stelde, was de vorm spoe- dig onveranderlijk vastgesteld en, van meet at aan goed, waren aan dit bouwwerk geen wijzigingen van noode.

Naar de grootte kon het bogental vermeerderd of verminderd worden, naar den om vang van het verkeer te water en de afmeting der passeerende schepen konden er hoogere of lagere gewelven noodig zijn, aan de groote verhoudin- gen deed dat weinig af. Dood eenvoudig was deze brug van ouds het eigenlijk onverbeter- lijke model voor ons land van baksteen-architectuur en kalm stroo- mend water.

Aan versiering dacht men hoegenaamd niet. Het heelc gevaarte is nauwelijks geleed. De pijlers zijn niet door stroombrekers aan den buitenkant gekenmerkt — trouwens, wat stroom zou er ook te keeren zijn in het stroopig krooswater van Heeren- of Keizersgracht?

De straat is het immers, in haar volle breedte, de geheele straat, die met het brokkelig dek van grouwe keien en alles wat daarop zeult en sjouwt, slentert en draaft, ratelt, dendert en host over het forsche onderstel van doorluchte bogen is heengeleid. Hier rijst zij langzaam naar het toppunt boven het midden, daar daalt zij weer breed neer tot den lageren vasten grond. Geen soepel maken en verzwakken van omtrek; in het steviger stelsel van de in drieën gebroken lijn heft en strekt en zinkt dat machtige bovenstel majestueus van oever tot oever.

En nu wil ik hier niet uitmaken in hoeverre het absoluut gewet- tigd is te verklaren, dat zoo stoute wijze van bouwen in onzen tijd geen navolging kan noch mag vinden, omdat wij, meer dan ooit bedacht op de vergemakkelijking van het wassend verkeer, tegen die heuvelhooge bruggen pratkische bezwaren hebben, want dit geldt toch alleen voor de grachtbrug, die bij betrekkelijk geringe lengte al te snel omhoog moet rijzen om voldoende boven den waterspiegel te staan en ik wilde hier juist over de Amstelbruggen spreken, waar de stijging over zoo groote breedte verdeeld wordt dat er voor het verkeer geen ongemak meer in schuilt.

Daar had de stad de oude traditie perfect kunnen behouden en ware dit geschied dan konden we thans werkelijk met rechtmatigen trots op een drietal bruggen wijzen die in machtige schake- ling van boog aan boog de beide stadshelften aaneenklonken als dit de prachtige Maasbrug te Maastricht, de Neckarbrug te Heidelberg, de Donaubrug te Regensbrug doen.

Dan zou daardoor weer eenigszins vergoed zijn wat schoons elders aan ons deerlijk gehavend Amsterdam om ernstige of ingebeelde verkeerseischen wreedaardig werd ontroofd. Men heeft, toegevende aan de boven aange- duidde zucht naar grootsteedsche Europeesch-genivelleerde wijdsch- heid, de Hoogesluis en de Blauwbrug gebouwd. Geen van beiden 60 Brug over de Keizersgracht aan de Amstel. Te ver- geefseh zoekt het oog de lijnen die dit krachtig doen uitkomen. Juist de meest aangewezen bewegingen mankeeren.

Noch het rechte, straffe strekken van ijzeren leggers, noch de edeler vlucht van « kunstig ge- metste bogen » vindt ge. Let er slechts op hoe bij de hier afgebeelde Blauwbrug, de minst slechte trouwens van de twee, de al te pretentieus bewerkte pijlers door hun lichte hardsteengrijs, hun aanmatigenden scheepssnebben- vorm, hun zware lantaarnzuilen, juist de verticale beweging, juist het schragen steunen en schrapstaan tegen de horizontale hoofdlijn in, accentueeren, terwijl bovendien de ijzeren bogen, die niet anders dan al te doorzichtige cachemisères zijn, het aspect van het geheel nog meer verwarren.

De Blauwbrug te Amsterdam. Deze hoofdfouten nu zijn bij de jongste Amstelbrug tenminste vermeden. De groote lijn is er in gehouden en wordt zelfs door de magere silhouet van het ijzeren bewegelijk middenstuk niet afgebro- ken. De overdreven en in hun overbodigheid belachelijke stroombre- kers zijn tot matiger afmetingen herleid.

En hoewel dan zonder tooi en sieraad, is er toch in het algemeen voorkomen van dezen steenen kolos meer oprechtheid en hollandsche aard dan wij in de 19 e eeuw gewoon waren.

Daarmee is helaas de lof ook uitgezongen. W aut als men gaat vragen of dit werk het nu tegen die schijnbaar toevallige gratie onzer grachtbruggen uit zal houden, dan blijkt het daartegen nog onbehouwen en lomp van massa, flauw en loom van lijn.

Geen enkel détail is bevredigend. De grijswitte, bergsteenen banden, de lange onaf- gebroken gladde riem van de stijfjes gevoegde deksteenen, de dito plint onder de balustrade doen op een afstand gezien meer aan als een appliqué van veterband, dan als constructieve deelen.

De forsche sprong van de deksteenen en de daardoor verkregen schaduwlijn, dit machtige hulpmiddel om het geheel van boven af te sluiten, is bier weggelaten. Suf en schriel, liggen de wanden der brug met de balu- strade nagenoeg genoeg in één vlak. Daardoor schijnt alles gelikt en óver af, maar toch zonder fijnheid. En de balustrade zelf is een karika- tuur. Waarom dan maar niet liever twee lage muurtjes doorgetrokken als bij zooveel oude bruggen — men denke aan onze zeventieudeeuw- sche heulbrugjes — in plaats van deze armoedige reeks baksteen- stapeltjes, deze riggelende rij schietgaten?

Visch noch vleesch geen muur en toch ook geen hek! Naar eenvoud zoekende vondt men het bizarre. Er is iets hachelijks in tegenwoordig op het eenvoudige te wijzen tegenover een publiek dat uit begrijpelijken lust tot verzet tegen de overmatig gepreekte barheid u aanstonds aanziet voor een van hen die om allerlei redenen buiten de schoonheid om, de luxe pertinent veroordeelen.

En ik moet er op staan dat men dit achter bovenstaande regelen niet zoeke. Niet wijl het oud en eenvoudig, maar BRUGGEN wijl het schoon en praktisch bruikbaar is, kan ons in dit speciale geval het oude voorbeeld van nut zijn. Ik weet, dit zijn zoo maar wat utopieën; want evenmin als er een lettersnijder van tegenwoordig tevreden is met een serieuse navolging van mooie, oude typen, of een twintigsf eeuwsche drukker zoo be- scheiden is, dat hij ernstig de verhouding eener oude paginavulling aan zijn werk ten grondslag zou leggen, evenmin wil voorloopig een architect die een brug bouwt den naam hebben van niets nieuws, niets persoonlijks te hebben geleverd.

De traditie is niet alleen verloren, ze wordt met geweld onderdrukt. Wel wil men het oude heimelijk gebrui- ken om het voor onwetenden tot moderne herrijzenis te brengen, anderen weer meenen er baat bij te vinden het geesteloos precies te 63 AMSTER- DAMSGHE BRUGGEN copieeren; maar noch dit alles, noch gezochte naïeviteiten ot steriele barheden brengen ons in dit geval nader tot het verloren paradijs, tot de oude schoonheid, die we nog dagelijks voor oogen zien, die we nog in elk opzicht kunnen genieten, maar die te beheerschen ons niet meer gegeven is, omdat we niet beheerschen wat we niet naar het innerlijk wezen kennen.

Uit het vermijden der fouten van mindere voorgangers blijkt slechts de kracht der negatie. Om iets positiefs te bereiken moeten we het werkelijk in de aller- eerste plaats weereens evengoed kunnen als drie eeuwen geleden. Niet het gevoelig oog, de fijne zin van den enkeling kan ons redden.

Wat hier noodig is moet velen toegankelijk zijn, voor velen helder en begrijpelijk. Niet artis- tieke sensaties, maar slechts cc maten, gewichten, getallen » met wijs- heid en beleid gebruikt, leggen de hechte fundamenten voor een vruchtbare traditie. Hij is levendig en vlug van toets, zeker van hand, eerder voornaam dan boersch in de opvatting van het boerenleven. Hem treft het schilderachtige in de zeden der dorpelingen, het prettige van hun figuur, het kleurige van hun dos, het onbezorgde van hun vermaken.

Hij laat uitkomen wat zij aantrekkelijks hebben en verbergt wat er grofs in hun gewoonten ligt. Zijne teekeningen zijn elegant, pittig; zooals hij schildert met kleine penseelslagen, zoo teekent hij met korte trekken, die in weinige lijnen vorm en leven aan zijn personages geven. Liefst hanteert hij daarbij het potlood, zooals in de Boerenmaaltijd uit het Prentencabinet te Eerlijn en het Rookende boertje te Dresden, die wij hierbij weergeven. Het eerste is een zijner fraaiste, volledigst afgewerkte tooneeltjes met al zijn gemak van ineenzetting en zijn opgewekte bedrijvigheid.

Soms ook gebruikt hij rood of zwart krijt ; enkele keeren wascht hij zijne bladen met inkt. Zooals in het groote blad uit het Museum te Eerlijn teekent hij soms heele tooneelen, die een schilderij op zich zelve en toch geen studie voor een penseelwerk uitmaken.

Dan weer zijn het studiën van rookende en drinkende boeren, waar hij de kleuren op aanduidt van hun plunje, zooals in een stuk te Chantilly, of schetsen van boeren zooals te Stockholm, te St. Rookende Boer Prentenkabinet van het Museum te Dresden. British Museum, de eene zeer los daarheen geworpen, de andere in zijn lichten maar keurigen trant.

Yan zijne volgelingen bezitten wij weinig. Van David Ryckaert is zeer waarschijnlijk een prachtige teekening in het British Museum, geteekend R. Yan Adriaan Brouwer zelf bewaart het British Museum vier groote studiën uit het kroegleven en het Museum te Stockholm een grooter aantal stukken van gelijken aard, waarbij komen een viertal boerenkoppen, die wij hier weergeven, omdat zij zoo kenmerkend zijn voor den rijk begaafden kunstenaar.

Brutaler krabbeling kan men zich niet verbeelden, noch wonderbaarder gave van uit dien warboel leven en luim te doen optintelen. Het plezier straalt uit hun tronies met twee messneden gebeiteld en uit hun lijf met een paar vegen gekrabbeld. Yan den jongen Frans Francken treffen wij in de Albertina nog al onverwachts een Heksentooneel aan in den aard van den helschen Breughel. Men zou aarzelen aan hem te denken ware het niet dat hij zijn naam schreef op de lijst van een schilderijtje, dat aan den muur hangt; hetzelfde middel om zich te doen kennen gebruikte hij in een andere teekening, een zinnebeeldig onderwerp dat de Louvre bezit.

Den naam van zijn kozijn Jan Francken vinden wij op eene tweekleurige teekening, Drie geknielde Vrouwen in den Louvre waarop wij lezen Jolmn Franck invent. Yan Pieter van Avont , den kinderschilder, treffen wij in het Rritish Museum een zijner gewone groepen aan, Maria met de kinderen Jesus en Joannes , een fraaie teekening in den trant van Cornelis Schut. Het Rijksmuseum te Amsterdam heeft van hem een Havenscene in den Oost , onder den naam van zijn vader Jan.

Adam-Frans van der Meulen , onderscheidde zich als teekenaar door dezelfde hoedanigheden, die hij als schilder bezat: Mariette getuigt van hem dat, vooraleer de wapenfeiten van Lodewijk XIV te schilderen, hij zich ter plaatse begaf om nauwkeurig de gezichten van steden en gronden, waarop de veldslagen geleverd werden, te teekenen ; zulke stukken vinden wij in de Albertina: Dresden, Eerlijn en St.

Petersburg bezitten studiën van ruiters en voetgangers meesterlijk uitgevoerd, altijd met groote zorg soms microscopisch fijn bewerkt. Een naam, dien men elders niet aantreft, leest men onder een ruiterijgevecht in het Museum te Rremen, onderteekend P.

Doode natuur Museum Plantin-Moretus, Antwerpen. Maxentius door Rubens, maar staat er ver beneden als uitvoering. Volgens de toelichting ontleend aan de Liggeren der St. Lucasgilde zou de maker een Pauwels van de Peer, leerling van Joos Daniël te Antwerpen in , geweest zijn. Frans Snijders en Paul De Vos, van beiden bezitten wij teekeningen, van den eerste minder, van den andere meer. Maar zooals het met hunne schilderijen gegaan is, wordt een deel der werken van Paul De Vos aan zijnen meer gekenden kunstmakker toegeschreven.

Frans Snijders is een keurige, uitmuntende teekenaar zooals hij een glanzende schilder was. Slechts weinige stukken, die zijnen naam dragen komen hem toe; echt zijn twee fraaie teekeningen in den Louvre: Elders Vlaam- sche School , blz. Buitendien bezat de heer René della Faille nog een tiental afzonder- lijke stukken eveneens met zorg geteekend en gewasschen met bister op een blauw getinten grond.

Deze laatste zijn geen studiën voor schil- derijen, het zijn eerder Albumblaadjes of teekeningen bestemd om afzonderlijk verkocht te worden. Op een der blaadjes uit het studie- boek van Paulus De Vos troffen wij de eigenhandige bevestiging aan, dat bij in dienst van Rubens werkte. Het luidt daar in eene aantee- kening: Zijn eigen schilderijen zijn haast onvindbaar, zijn gekende teekeningen zijn niet veel talrijker.

De Louvre bezit van hem een fraai landschap; de Albertina verscheiden stukken van denzelfden aard met personages uit de geschiedenis van Jozef; het Prentenkabinet te Amsterdam een Jachtstoet. Een der stukken uit de Albertina is door hem ondertee- kend, de overige zijn het niet, maar zijn wel in zijnen trant en worden hem met voldoende waarschijnlijkheid toegekend.

Evenals van Paulus De Vos is er van een anderen welgekenden dierenschilder Peter Boel een studieboek bewaard geble- ven. Het bevindt zich in den Louvre en bevat in drie bandjes zeer merkwaardige teekeningen naar dieren. Van Jan Fyt , den uitmuntenden dierenschilder, hezit het British Museum een teekening van Jachthonden met wild en geweer, in zijne forsche manier gedaan.

In het Prentenkabinet te Berlijn bevin- den zich drie stuks honden ruw en ferm geteekend ; te Dresden een Hondengevecht. De Louvre en het Museum van Rotterdam bevatten werken van hem van minder zekere echtheid. Daniël Seghers , de beroemde bloemenschilder, tee- kende ook wel eens een landschap, ten bewijze hiervan strekt het eenige stuk, dat wij van hem kennen, dat in het Prentenkabinet te Berlijn berust en eigenhandig door hem is onderteekend Daniël Seghers Soc tis Jesii.

Van den grooten stillevenschilder Jan De Heem bezit de Albeitina een uitruimde teekening: De Louvre, de Albertina, het British Museum, de Ermitage, Dresden, Berlijn, Stockholm bezitten ervan; vele zijn onderteekend door hem; enkele dragen jaartallen: Zonder onderscheid zijn zij fijn van teekening, vooral die welke met de pen gemaakt zijn; gaarne haalt hij ze op met een beetje blauw of groen.

Hij vervaardigde ze minder als studiën voor zijne werken dan wel als blaadjes, die kunststukjes op zich zelve vormen. Zijn trant is hierin, zooals in zijne etsen, minder breed dan in de stukken, welke hij samen met Rubens maakte ; als teekenaar laat hij eerder aan den invloed van fluweelen Breughel denken.

Hij ziet de natuur juist, hij bemint ze niet alleen in de bijzonderheden, maar ook in hare grootsche vergezichten; hetzij bij een enkelen boom of een grenzelooze ruimte tot model kiest, altijd beeldt hij ze af fijntjes en netjes als teekende hij met nauwgezetheid een kostelijk kleinood.

Die slaaf zoek ik! Jij gaat je nu melden bij mij slaaf! En je gaat er spijt van krijgen, hahaha Onderdanig voetenslaafje gezocht, die mijn blote voetjes wil aanbidden en vereren.

Ik ben een dominante Meesteres en heb heel mooie sexy voetjes. Jij gaat mijn slaafje worden en mijn voeten verzorgen, lakken, liefkozen en meer Stuur mij een berichtje Home     1 Meesteres zoekt slaaf. Bottom wil bare ontmaagd worden en zaad ontvangen!

Geile zaadslet zoekt een date Met spoed sexdate gezocht met een geile vrouw óf stel Rougurk uit Dinxperlo. Home     1 Meesteres zoekt slaaf Meesteres zoekt slaaf Selecteer provincie Nederland Godin Eva zoekt een nieuw biggetje!

Meesteres zoekt slaaf Venray Limburg Nederland Gehoorzaam slaafje gezocht! Meesteres zoekt slaaf Utrecht Utrecht Nederland Dominant zoekt onderdanig! Meesteres zoekt slaaf Utrecht Utrecht Nederland Voetenslaafje kom jij mijn voetjes aanbidden!

Bottom uit Eijsden Dominant zoekt onderdanig! DominaJ uit Utrecht Geile zaadslet zoekt een date Anoukje uit Amsterdam alarm!! Met spoed sexdate gezocht met een geile vrouw óf stel Rougurk uit Dinxperlo Bull Tony!

...

Oude lesbo gratis neuken limburg



homo pjes meesteres zoekt slaaf

Het mag iets merkwaardigs heeten hoe na afloop van het 26 e jaar van haar bestaan, de maat- schappij nog immer even trouw blijft aan haar scherp afgeteekend doel, hoe zij zich heeft weten te verjongen in den loop der jaren en wat al merkwaardigs zij heeft weten te leveren en nog immer levert binnen de grenzen van haren Hare laatste uitgaven leggen er een nieuw en welsprekend getuigenis van af.

Vooreerst ontvangen wij de vierde en laatste aflevering van den 26" jaargang van het tijdschrift der maatschappij met artikels over vier verschillende kunste- naars. Een door Max Lehrs over den schilder-teekenaar-etser-lithograaf Otto Greiner, met velerlei afbeeldingen naar zijne werken, onder andere een photo- gravuur naar zijn Odijsseus , een stuk dat de klassieke zuiverheid van vorm met de weekheid van het modern gevoel vereenigt, en de lithografie van een meisjeshoofd, La Ciuetta del Colosseo , een meesterstuk van leven, van malsch- heid, van kleurigheid.

Een tweede stuk geschreven door een Franschman, Clé- ment Jouin, geldt een Franschman, den onlangs gestorven etser, Marcelin Des- boutin, met eenige portretten door hem, zijn zelfportret onder andere, uitgevoerd met eene vettigheid, die de etskunst nooit had te zién gegeven, en die men eer voor een lithografie dan voor een sterk-waterplaat zou houden, maar die er niet minder verbazend mooi om is.

Dan volgt nog een nota over den etser Georg Erler en een over een ets van Aartshertog Heinrich Ferdinand van Toskanen. De eerste aflevering van den 27" jaar- gang brengt ons als bijlage een schat van Mittheilnngenvan historischen aard, de graveerkunst betreffende. In het korps der aflevering vinden wij een levenschets over den schilder-lithograaf Matthseus Schiestl met zijn ouderwetschen gemoedvollen trant: Verrassend in de hoogste mate is het, wat al nieuwe wegen de graveerkunst onzer dagen inslaat en hoe zij, naarmate men haar geweldiger uit haar gebied zoekt te verdringen, zich op nieuwe paden begeeft en nieuwe rijken verovert.

Niet het nieuwe om het nieuwe treft ons in al de veropenbaringen, die ons het tijdschrift van de Vervielfaltigende Kunst brengt, maar voortdurend echte diepgevoelde kunst, uitgedrukt op eigen- aardige, heel persoonlijke wijze. Hetzelfde toont ons al even treffend de Jahresmappe van , bevattende zes groote platen: Wat een revolutie of wat een evolutie, wat een herleving! Hoeveel nieuws, waar wel wat halsbrekerswerk tusschen door loopt, maar waar ook zooveel schoons bij zooveel jongs in te bewonderen valt Dan komt van Max Svabinsky een groote plaat, alweer een litografie « Am Webstuhl », een jonge werkster, die de kriekende dag slapende vindt op haar getouw, een liefelijk en rijk spel van licht, heel teer harmoniëerend met het stil roerend onderwerp.

Die Vervietfalligende Kunst der Geyemuart. Hiermede zet de maat- schappij de kroon op de grootsche on- derneming, die zij twintig jaar geleden opvatte, die zij eerst ijverig voortzette en in de laatste tijden trager tot haar voltooiing liet komen. In de laatste afleveringen krijgen wij te lezen en te zien de lithografie in de Vereenigde Staten, in Denemarken, in Holland, in Frankrijk.

Het artikel over Holland is geschreven door Jan Veth ; aan wien kon hel beter toeverlrouwd worden! Als aanhangsel krijgen wij nog de photomechanische weergevingstel- sels: Ook in deze afle- veringen heerscht de steendruk, wel in min of meer verouderden vorm, maar toch nog veel doordringender van be- koorlijkheid dan men van die al te zeer miskende kunst zou verwachten.

Doch, mag er hier wel sprake zijn van een onderwerp, dat uitgeput is ; kan, zelfs in aanmerking genomen, dat er onder al die schrifturen enkele uitvoerige en uitnemende studiën voorkomen, nu maar besloten worden, dat we over dezen schilder genoeg hebben hooren zeggen, hem in zijn kunst volkomen kennen? Als antwoord mag de vraag gesteld worden: En nu, bij het bereiken van dien zeldzaam hoogen leeftijd, zien we terug in dit menschenleven, want het werd besteed ten bate van onze beste levensverlangens.

Dan komt de eene overweging de andere uitlokken, en navoelend de emotie, bij zijn werken zoo herhaaldelijk ondervonden, gaan we zinnen op de betee- kenis daarvan, zoekend te bepalen waarde en hoedanigheid der kunst, die ze mocht verwekken. Eenieder uit onzen tijd in ons land, en ook wel daarbuiten, die Onze Kunst Afl.

Zijn reputatie behoeft, kan zelfs niet vaster gevestigd worden. Hij heeft naam als schilder van visscherslafereelen, meest als binnenhuis gegeven, en de « kenners» verstaan het, deze kunst te kenschetsen als de uiting van een dichterlijke ziel of wel te spreken over den meewarigen opmerker van het leven eener nederige menschenklas.

De naam Israëls is tot een vlag gemaakt van modernen holland- schen schildersroem, en daar zijn teekenen van overschatting bij het toomeloos uitzetten van den roep over zijne verdiensten: Vóór het nage- slacht ons op de vin- gers tikt over den bluf met onze beroemd- heden, moeten we trachten naar rede- lijkheid in de veree- ring van onze groote tijdgenooten. Rij alle rechtmatige waardee- ring van Israëls moet bij direkte waarde- bepaling zijner kunst de naam van Rem- brandt uitblijven.

Hij was ook de kunstenaar van de aandoening, maar zijn zinnen raakten er niet door overstelpt. Tot recht verstand wil ik even opmerken, dat er niet bedoeld is beeldende kunstenaars voor te stellen als bouwers van wijsgeerige stelsels, afgescheiden van hun voortbrengselen. Zij zijn wijsgeeren van aanleg, hun werken getuigen van hun levensbeschouwingen, maar de definitie is intuïtief en niet bedacht.

Ze doen niet weten, maar voe- len; hun werk is als een catechismus zonder vragen. Door meerdere liefde voelt hij dichter hij zich de waarheid en het weten ligt daarin vanzelf besloten.

In de uiting van Israëls doet zich hij voortduring kennen een menschen-gemoed, dat gereedelijk begaan is met saillante levenstoe- standen, liefst in hun droevige of weemoedige momenten. Maar het ten tooneele brengen van bepaalde aandoeningen gaat zonder bewustzijn van de genadewerking aan den eenen, zonder argwaan van den onaf- wendbaren noodlotsslag aan den anderen kant.

Israëls toont zich gaarne, en is ook oprechtelijk, in zijn werk de bewogen aanvoeler van Lief en Leed in het wedervaren van den evenmensch ; hij leeft het in zooveel tafereelen herhaaldelijk mee, zonder de macht van breede samenvatting der aandoeningen, die leidt tot bet inkeerend begrip van de diepe levenswerking. En hierdoor is hij wel geheel een kind van zijn tijd; zijn kunst doortrokken van de huidige humaniteits-neigingen. Zijn aandoenlijk- heid, hoe roerend van menschelijkheid dan ook, lijkt me echter juist zijn zwakte, — zijn schielijke opgewondenheid, als in wezen van voor- bijgaanden aard, onvereenigbaar met de beweging van een kunstdaad die voor alle tijden is.

Een merkwaardig menscli is hij, mooi van ziels-be wegen, maar bij heeft niet de ingehoudenheid van gemoeds- uitstorting, de in zich-zelf beslotene waarneming van den waarachtig grooten kunstenaar, schijnbaar laatdunkend in zijn universeele wereldbeschouwing. Releveeren we dus alleen maar, nu we duidelijker trachten te overzien den gang van zijn ontwikkeling, de voornaamste gebeurtenissen, als keerpunten in zijn bedrijf. Dit wat de geestelijke vorming of het ophouwen der eigen verwachtingen, betreft.

Een schilder, die zijn onderwerp mooi of verhe- ven had uitgedacht, was al halverwege op weg; hij was geïnspireerd. De arbeid zelf had te voldoen aan vele voorschriften, die gebrouwd waren uit verleden schoonheids-uitingen; een mengsel soms van de beginselen der klassieken voor den vorm, met het pathos van een rembrandtieke kleur. Met zijn edele zielsneiging en schoolsgevormden smaak tot uitgang Kruseman heeft immers Israëls eens gewaarschuwd voor het bederven van zijn smaak door het schilderen van een onbehagelijk oud-vrouwen gelaat moest de schilder zich dan met vlijt toeleggen op een foutelooze tee- kening en uitvoerige schildering, al naar het gezag der gesanction- neerde wetten.

Hij moest de compositie welstandig ordenen, de figuren indrukwekkend maken door houding en gebaar, met op het gelaat een goed-sprekende uitdrukking, het type echter gekozen naar aesthe- tische regelen en vervolgens ijveren voor de uitbreiding van zijn vak- ervarenheid, trachten het record te slaan van breede en tegelijk alle détails-preciseerende schilder-trant.

Naar twee richtingen uit bewoog zich toen de schilderkunst in Holland. De een met bescheidener po- ging trachtte het voetspoor te herwinnen van de groote zeventiend- eeuwers; ze vonden onderwerpen uit voor hunne schilderijen, onder- werpen gekozen uit het gewone leven om hen heen, liefst met een boeiende intrigue. De ander in stouter ijverzucht naar de heroïeke of verbeeldingtreffende aanslag van de Romantiek, snuffelde de onderwer- pen uit historieboeken en beroemde epische poëmen, of waagden het op eigen dichterlijke gedachten uit te wieken.

De Franschen vooral hadden hen begeesterd. En het eigendommelijke van hollandsche kunstuiting kon wel niet verder uit zijn voegen raken dan bij die beoefening van het genre « groot historiëel ».

Een hollandsche schildersaard is naar dien kant maar zeldzaam aangelegd. En kan dan ook wel van die beweging Rubens als een voorname opstuwer worden aangewezen, is dit juist een aanleiding om op te merken, dat nooit de afstand in geestesrichting der twee Nederlanden grooter is geweest, dan in den tijd dat Rubens te Ant- werpen werkte en Hem brandt te Amsterdam.

Museum te Amsterdam, zijn de natuurlijke vruchten van zijn opleiding. Toch laat deze uitgang zich bij een kunstenaars-aard als van Israëls nog wel aanpassen en hoe ,groot daarmee de afwijking van zijn latere kunst ook schijnt, is er in zijn visscherstafereelen een grondtrek na te sporen van den jeug- digen aandrift tot het maken van historiëele schilderijen.

Maar de pathetische beweging der jeugd is gerijpt tot constanter gemoeds- warmte; de waarachtigheid van zijn gevoel deed hem inzien, dat die groot-geroemde kunst leeg was aan menschelijkheid en zoowel in natuur-waarneming als in uitdrukking, ver om het werkelijke leven heenging.

In zijn oeuvre is eigenlijk niets van een kentering te bespeuren; zooals het straks reeds gezegd werd is zijn ontwikkeling heel geleidelijk gegaan; langs één gang is hij gekomen tot zijn volle kracht.

Bekend is het, dat Israëls na zijn leertijd bij Kruseman naar Parijs vertrok en daar op het atelier kwam van een franschen schilder. Meer zeker heeft de nieuwe omgeving op hem ingewerkt. Het verblijf in Parijs moest uitzichten voor hem openen en gewaar- wordingen doen ontluiken, tevoren in den vaderlandschen schoolkring ongekend. Hij stond daar ineens te midden van het sterk bewogen kunstleven, waarvan hij zich allicht reeds in gissingen verdiept had naar overgewaaide weerklanken.

De beweging kon hij nu in volle bruising waarnemen, en de veeltallige, hevige indrukken, zoovele ver- rassingen met gretigheid ondervonden, moesten een geheele opschud- ding te midden van zijn rustig gelegerde kunstopvattingen en zelfver- wachtingen teweeg brengen. Een omkeer kon daardoor niet worden teweeggebracht, maar als reactie, een gunstige herleving.

De wijziging in zijn kunstuiting zal toen nog maar voornamelijk naar het uiterlijk geweest zijn ; betreffende de uitoefening zelf, zich voegende naar toen aangewonnen begrippen over vorm en strekking van het schilderij- wezen.

Zijn palet was al wel veranderd, minder echter naar wat door oorspronkelijke natuurstudie tot kantig bewust- zijn was gekomen, dan onder kennisnemen van den kleurenkeus, die hij op de ateliers der modernen had heerschende gevonden. En met de aanhankelijkheid aan nieuwe idealen ondernam hij het schilderen van tragische gebeurtenissen uit het visschersleven.

Een zeer merk- waardig specimen van dien tijd is het levensgroote stuk De gang langs het kerkhof. Een stoere visscher is met zijn twee kinderen, — een kleintje op den arm en zijn zoontje aan de hand — genaderd aan een hoog opge- schoten bosje duinhelm, waarin een houten kruis het graf zijner vrouw aanduidt.

Maar wat hier te prijzen is, staat vreemd aan den geestelijken zin van het werk ; de kwaliteiten zijn er alleen aangewend, om de voordracht van een som- ber tooneel van imponeerende luidheid te doen zijn. En na dit werk werden vele andere tafereelen JOZEF gegeven, die ten doel hadden den druk en den kommer van bepaalde ISRAËLS levenstoestanden aanschouwelijk te maken ; zonder echter te geraken tot uitdrukking van het barre wee, als blijk dat naast den medelijdenden waarnemer, de wijze overweger het werkelijk schrijnende ervan invoelde alsnog geen ander.

En dan noem ik niet: Een dramatisch kunst- werk is niet zoodanig, wijl het geeft de bloote voorstelling van een aangrijpend levensvoorval, maar als het verhaal wordt gedaan, de voor- stelling wordt gegeven naar de visie, die de kunstenaar geheel per- soonlijk van de handeling der gebeurtenis heeft gehad.

De handeling, niet gelijk die werd waargenomen naar uiterlijke kenteekenen of passende omstandigheid, maar zooals die uit de werkelijkheid werd herschapen in uitbeelding van het tragische of komische voorval als manifestatie der eigen inzichten en levensopvatting van den wetenden aanschouwer.

En het drama- tische is niet alleen te vinden in aangrijpende voorstellingen ; het is te lichten uit alle levens-gebeuren, zoowel waar het zich heftig open- baart, als waar het zijn effene regel-gang vertoont. Israëls kiest gaarne als onderwerp voor zijn schilderijen levens- toestanden die in hun zintuigelijk wezen reeds zielstreffend geheeten worden; hij is daarbij innig aangedaan en geeft er de vertolking van met veel warmte zonder nochthans een dramatiseering van het leven te geven.

Kunst heeft, zoomin als tot moraliseeren, de strekking tot opwekken van mededoogen. Israëls kunst preekt te veel het medelijden. En zoo hij minder oprecht is in aangedaan-zijn, wordt zijn uiting sentimenteel of theatraal. Zoo is — om er een te noemen, die ook wel eens met Israëls ver- geleken wordt — Millet een dramatisch uitbeelder van zijn landwer- kers, en staat hij, hoe immens het verschil van onderwerp zij, toch dichter bij den grootsten dramaturg in de beeldende kunsten, met zijn abstracte levensbeschouwing: Hier een wel natuurlijke maar toch vormelijke pose voor het beeld van verslagenheid, — daar in de weduwefiguur, in heel haar houding, van af de lichte kantel-beweging van het hoofd tot aan den nerveuzen handgreep in den zakdoek op haar schoot — met minder toeleg van pose, de integrale uitdrukking van een ziels-gedruktheid, waarvoor alle beschrijvende woorden als kwalifikatie eener ontroering, onvol- doende blijven.

De onderwerpen zijn bij Israëls meestal van tragischen aard, maar de inkleeding is ons steeds gemeenzaam. De gang langs het kerkhof. We worden niet geslagen door een plotselinge onverwachte aanwijzing van levens- jammer, die blijft naschrijnen, zooals bijv. Zooals een tooneelspeler de sentimenten, die hij vertolken moet te beheerschen heeft, zoo heeft een schilder zijn eigen leven te stellen in aanschouwing boven de figuren, die door aandoe- ningen getroffen zijn.

In hoever de tooneelspeler buiten de werkelijk- heid heeft te treden is reeds duidelijk uit de omstandigheid, dat hij zelf in zijn rolvervulling weer kan geïmiteerd worden. Nemen we nu naast elkaar de Visscher van Zandvoort en de Gar- nalenvisscher , daar we in het laatste stuk den meester in de volle ontwikkeling van zijn macht en gaven kunnen zien, terwijl in het eerste de nog onzekere wending is naar een beslisten uitgroei.

Wat is nu het verschil tusschen deze werken? De dramatische uitbeelding bij de Gang langs het kerkhof , zooals die bedoeld werd, trachtte zich te doen gelden door het aanbrengen van toepasselijke mise-en-scène ; theatercoullisses en grime, zou ik haast zeggen: Neem nu de Garnalen - visscher en in de opvatting van die figuur, van zijn houding, van zijn vorm wezen, van zijn bewegen, van het geheele karakter zijner ver- schijning, bepaalt de wijziging alleen zich door de uitdrukking van de lichamelijkheid.

Het verschil doet hier onderkennen de levensessentie van Israëls kunst: Hij is geen kunstenaar met zelfmachtige stuur bij zijn uitzegging, die door vorm en houding van het zichtbare natuurbeeld is doorge- drongen tot de wellen van het leven ; die, wat het oog heeft bekoord en de ziel ontroerd, als in omwenteling van de werkelijkheid, heeft gedwongen binnen straffe lijnen en vastgelegd in gesloten kleur; zelfs niet de kunstenaar van reflexie, die zijn impressie verwerkt tot indruk- wekkende vormgedaanten en b ree de kleur-accoorden.

Schels voor liet schilderij Lenteleven. Eigendom van den Heer Hidde Nijland , Dordrecht. En wat hij deze eigen- schappen zijne opvatting bepaalt en hem tot den bij zon deren kunste- naar heett gemaakt, zooals we hem kennen, is dat zijn waarneming, zijn vatbaarheid voor picturale bekoringen, gefilterd wordt door een voor humanitaire ontroering zeer toegankelijk gemoed. Hij is de kuns- tenaar van de stemming, en hij zijn kinderlijken hang naar wat men noemt poëtische tafereelen, maar tevens met oprecht streven naar waarheid in natuurvolging, heeft hij in liefde voor zijn onderwerpen de meest verscholen hoekjes der intimiteit van visschershutten en grauw-belichte landschappen gegeven.

En daarom is het wel vooral, dat zijn schilderijen altijd treffen, wijl een bewogen e van hart zich daarin geuit heeft. Museum te Amsterdam het is één timbre, dat met zeer gevoelige natrillingen zijn klank overal doet hooren. Studie van een hond. Wanneer we in Israëls als dramatische kunstenaar dan al een dilettant willen zien, toont hij zich in de daad een schilder van het zuivere ras.

Wel mei recht wordt hij zoo vaak een grootmeester van de tegenwoordige hollandsche school genoemd. Geen misschien is er onder de modernen wiens arbeid zoo vreemd is aan alles wat naar stelselmatigheid zweemt. Zijn handeling gaat recht en onbevangen op het doel af, en zelfs niet een methode, die als een eigene, nog van gewettigde toepassing kan zijn, is bij zijn schilderen vast te stellen. Zijn werk-wijze is niet te ontleden, lijkt zelfs vaak slordig, in ieder geval ongeschoold, zoodat men bij het naspeuren van de bewegingen zijner techniek zou kunnen uitroepen: Zijn schilderijen, op de hand gezien, vertoonen een embryo van gebroken, welhaast gore tin- ten, waarin overgangen en tegenstellingen nauwelijks te volgen zijn.

De stellingen, die wel eens worden voorgehouden om de gedragslijn aan te wijzen bij de kunst van schilderen —: De werkelijkheid bevat om de bekoring van haar eigen verschij- ning voldoende stof voor de bevrediging van dit schilderstempei ament. Zijn waarneming, zoo gretig aangloeiend tot sensatie, onderhoudt de direkte aanvoeling van de minste kleur-combinatie, de fijnst-gespannen toon-trilling.

Zoo is Israëls een der groote voorlichters over de beteekenis van het Impressionnisme. De hoofdwaarde van zijn arbeid is te vinden in de spontane uiting van innige en onmiddellijk aandringende aandoenin- gen, in een vloed overstelpend het bewuslzijnde waarnemen.

Maar de ziening van de uitschijning der dingen vormt zich hier heel bijzondei onder impulsie van een persoonlijken menschen-aard, speurend in het Reëele zoo gaarne naar wat als vertolking van het roerend-intieme of treffend-sobere in het leven tot uitdrukking kan komen. JOZEF Zijn teekening zonder eenig vertoon van kranige halen of rake lijnen, ISRAELS maar gedaan met een van bewogenheid bevende hand, als tastend naar den levenskern in de beweging van gebaren en houdingen, is van doordringende expressie.

Wat hij de omwenteling in de literatuur de voorname doeleinden waren, — het zuiveren der taal van gemeenplaatsen en bot-weg over- 0e nomen beelden, het zelfmachtige bouwen van den stijl naar persoon- lijke zienswijze en uitings-drang, maar vooral de nauw klemmende woordvorming tot overtuigende uitzegging van natuurwaarneming, — daarbij zijn zeker wel invloeden van de moderne schilderkunst, met name het Impressionnisme, in werking geweest.

Ongetwijfeld, dat deze twee kunsten in streven belangrijk naar elkaar zijn aange- dreven en dan vooral de literatuur naar de schilderkunst. Bij een studie nu, over dit niet zoo verwerpelijke onderwerp, zou de schil- dersuiting van Israëls als zeer bruikbaar materiaal kunnen dienen. Meest schildert hij wel binnenhuizen met hun schemerende hoe- ken, en stille licht-druiling, maar hij kan zich ook vertrouwelijk ma- ken het leven van andere omgevingen, als kader voor zijn figuren.

De zee, die hij zoo dikwijls gaf, als het blijde tooneel van spelende kinderen, of als het barre arbeidsveld voor de visschers; onder ver- schillende gedaanten dus. Nu in alom uitgespreid helder middaglicht over dartel watergevliet, dan als de zwaar omwoelde vlakte, barsch donkerend onder gefrons van onstuimige luchten.

En ook hier heelt hij alle toonen van het sujet doen klinken; zijn onbestuurde schilder- ' wijze gaf de levende overzetting in kleur en beweging van het blijde licht-schateren uit helderen hemel over het grenzelooze water, dat aanwiegelt in zoete rimpeling, zijn golfjes vergruiselend in blinkers van doorschijnende reflexen, maar verderop rustig zich gaat uitbreiden, tot het, onmerkbaar vereffend, zich als spiegelvlak overschouwen laat tot aan den horizon.

Ook in zijn landschappen is het bovenal de stem- ming die zijn werk treffend doet zijn. Het buiten, geheel en al gevoeld in samenhang, met het leven en de doening van de figuren. Ook dan meestal het thema van grijs.

De hemel begroeseld met regenwolken, de landen bedropen door sproei uit een nevelende atmosfeer, de hoornen met verdoft groen in wankeling dragend hun kruinen, de huizen, armoedige woningen, als onbeholpen in hun vormen neer- hellende rustieke bouwsels.

Dit alles geeft aan zijn landschappen een schijnsel van droevigheid, en zonder achtergedachte van indrukver-. Op weg naar Huis, aquarel. Van het hollandsche landschap met zijn immer boeiende tinten-harmonieën, heeft hij de bekorende impres- sionistische afbeelding in vlot-treffende schildering weten te geven ; maar de mysterie van wijd-strekkende landen met eenzame wegen, heimelijk over de ruimte heensuisende boompartijen, heeft een eigen, voor zijn menschelijkheid vertrouwelijk lied uitgezongen.

In de grijze waden van de mistige atmosfeer is daar in blijven nazuchten een stemming van stille melancholie bij het zien van dat verlaten buiten- plekje, waar een arme schuitenvoerder plotseling kwam voorbijgaan.

Hier ook geen spoor van aan- geleerde methode of door routine verworven handigheid. Hij let weinig op de kenmerken der constructie van het mensehelijk gelaat, weet, zou men zeggen, niet waar het beendergestel naar het uiterlijk zijn charpente vertoont en hij heeft zich geen houvast aangewend voor den eigenaardigen bouw der groote onderdeden: Hij tracht zonder nevenaanschouwing direct de levensuit- JOZEF schijning te benaderen, en waar hij daarvan de accenten vindt, noteert ISRAELS hij ze in achtelooze penseelvegen, wrijft ze uit in ongesmukte of onbe- raden kleurmenging.

Bij alles wat Israëls doet, ook als hij een voorop gedachte aandoe- ning wil kenbaar maken, komen zijn werkelijke hoedanigheden tot uiting — hoedanigheden van een geboren schilder, die het leven bewondert om zijn uitschijning in kleur en lijn, zich verzadigt aan bet bemerken van tegenstellingen, maar wiens kunst een zeer eigenlijke aanslag heeft, daar de zienswijze der tint-verhoudingen en het karakter der vormen zoo nauw voeling hield met een warm hart, dat behoefte heeft zich te ontroeren bij het gebeuren in de gekozen tafereelen.

Hij is als waarnemend schilder een fijnbesnaarde van gemoed als Mauve, maar naar andere zijde ontwikkeld, en onder de hoofdmannen der modernen staat hij dichter tot hem dan tot Jacob Maris en Bosboom. Wat Israëls nog voort zal brengen, hoelang hem daartoe nog het onderhouden van zijn oude jonge kracht zal gegeven zijn, we kun- nen het niet gissen.

Maar zijn Zandkruiers , dat volrij pe en frissche werk van zoo jongen datum, getuigt dat de drang nog steeds in hem sterk-levend is. We kunnen niet altijd de veerkracht van eens men- schen handeling meten naar zijn jaren!

Niet om de volledigheid der uiting, noch ook omdat het de Zwart van zijn meest bekenden kant typisch karakte- riseert, maar juist om het speciale in de vizie, het heerlijk verzorgen van enkele partijen als de paarden in het zilveren strandlicht en de pikante tee- kening van het zwarte figuurtje, ver- dient dit specimen mijns inziens hier te staan.

Van Breitner was er een nieuw groot schilderij van het Damrak met den toren der oude kerk boven de huizen uit.

Na een vorig stuk dat de mooie rij oude huizen met hun veelzeggende raamgaten en hun bonte wisseling van oud-roestige, grijs-verweerde en nieuw- geverfde achtergevels te zien gaf, was dit veelmeer een compleet schilderij.

In plaats parallel met de lijst, dus vlak en face zoo te zeggen is hier van het Damrak waarvan een schuin stuk als voorgrond den rechter hoek vult, de overkant perspectivisch gezien en wordt juist die naar rechts afschuinende lijn prachtig gevangen door het verti- caal opstaan van de kloeke open toren- spits.

Het is meer een compleet schilderij zeide ik straks zonder daarmee te willen aanduiden, dat het, zooals meestal, een zwakkere uiting is, dan de eerste con- ceptie van hetzelfde geval. Alleen de voorgrond met zijn blonde zandkleur waarmee het bloeiende rood van kinderkleertjes een charmant bou- quet maakt, is even bevreemdend voor wie Amsterdam kennende, dit voor een effect bejagende fantasie van den schil- der zou houden.

Wie echter weet hoe tijdens den aanleg van de electrische tramlijn werkelijk geruimen tijd de ge- heele straat met zand besprek! Aan den anderen kant leert ook dit weer hoe gevaarlijk het is voorbij- gaande en niet algemeen bekende toe- valligheden te vereeuwigen, die hoe bekoorlijk ze ook schijnen ons altijd aandoen als ontdekten we bij een ouden bekende een nieuwe, onverklaarbare en daarom even verontrustende karak- tertrek.

Naar wij vernemen is het stuk be- stemd voor de tentoonstelling te St. Met de welwillende toestemming van de firma E. Alleen Jozef Israëls was voldoende en zelfs goed vertegenwoordigd. Onder zijn teeke- ningen verdient zijn Visscher te paard , een bizondere vermelding; de kloeke gestalte op het forsche dier is in eenige vegen met de groote mate van plastiek weergegeven van meer beteekenis dan zijn teekeningen, hoewel die meer onmiddellijk de opvatting van den kunstenaar weergeven, zijn zijn etsen, waarin hij zich als den meester doet kennen, die in alle opzichten de tech- niek volkomen machtig is, niet maar op de een of andere eenzijdige manier KUNST- BERICHTEN UIT BERLIJN Vla.

Den allersterksten indruk ontving ik van zijn ets de Blinde die hooge, gebo- gen gestalte, de rechterhand op zijn stok geleund, en met de linker tastend langs den muur. Wat daarentegen Isaac Israëls tentoon had gesteld was wellicht wel beter en portefeuille gebleven, alleen zijn Gracht en Straat in Amsterdam verrasten ons door het trillen van de vochtige lucht, hetzelfde efïekt dat hij ook in zijn eenvoudige zwartteekening bereikt heeft.

Van de etsen van Armand Rassenfosse verdient zijn Studie , een zittende vrou- wenfiguur een bizondere vermelding. Dat echter bij Toorop, als bij zoovele andere symbolisten het gebrek aan techniek niet de drijfveer is, wordt duidelijk bewezen door zijn heerlijke schilderingen van landschappen en menschen. Een ongemeene bekoring ging er uit van het stukje Kindervreugd drie kleine meisjes, die op uiterst be- vallige wijze staan te dansen, terwijl een, dat een beetje ouder is, met een bril op haar neusje, viool voor hen UIT DORDRECHT speelt.

Haar oogen, die sehnsüchtig het dansen van de anderen volgen zeggen ons dat ze al veel bitters in haar leven ondervond en al afstand deed van veel geluk. Dit alles lijkt eerst niets, maar krijgt pas zijn ware beteekenis door de oogen, die van een ondoorgrondelijke diepte zijn en die met zulk een verlangen in de verte sta- ren — als haalden ze daardoor alleen den liefste terug.

Jef Lambeaux heeft hier grooten indruk gemaakt; in zijn allerliefste beeldjes kan ik echter geen sterke persoonlijkheid ontdekken: Zijn geweldige Adam en Eva vertoonen mede een groote trek; terwijl bij Eva de zieleëmotie geheel ontbreekt, drukt bij Adam het geheele lichaam, evengoed als het gezicht, schaamte over het ge- beurde en een klacht over het verlorene uit. Hoogst interessant, en met al het gewicht van zijn kracht uitgevoerd, is een nieuwe oplossing van het Laokoon vraagstuk; de vader door slangen om- wonden, in het midden, de eene zoon aan zijn rechterkant, hangende met het hoofd naar beneden, de andere aan zijn linkerzij, met den rug tegen den vader aan en alle drie tegen elkaar gewron- gen door de vreeselijke kronkels van het slangenlijf.

Ongelukkiglijk, zoekt men vergeefs naar een standpunt, van- waar men het geheel duidelijk kan overzien: Is het niet, ge kunt een vaas opvatten en- kel als een schoon stijgend lichaam of als een zulke nog ver- sierd met beesten er over kruipend, versierd met voorwer- pen zooals ik eens bronzen zag: Ik wil niet ontkennen dat mijn voor- keur gaat naar vazen niet versierd, die enkel door de schoone welving van buste en ranke vlucht van hals een edel geheel formeeren en voor het oog in hun volle doffe kleur rijk zijn als een rijk schilderij.

Ik weet ook wel dat er van de tweede soort zijn waar op de buiken, beesten, zeer schoon gemodelleerd 54 kruipen en die zoodanige zijn dat ook uw zin voor het fraaie niet armoedig verder gaat, integendeel stijgt verrijkt, Maar beschouwt ge dan niet eigentlijk als twee afzonderlijke voorwerpen: Er is weinig reden tegenwoordig om zoo kritisch te werk te gaan en ge moet gewoonlijk gauw verheugd zijn, wilt ge ten minste eenige genoegens u zelf vin- den.

Een metalen vaas, hoe is ze tegenwoordig? Vroeger waren ze kloek, met vollen vorm, met vollen wrong in het edel smeltend, vlietend metaal, tegenwoordig zijn ze zoo niet meer: Wat de Dortsche nieuwste Kunstpot- terij betreft, zooals ik ze nu zag, is er weinig heil aan.

De vorm is niet bizon- der noch nieuw de kleur; men siert soms als op bronzen vazen, en de beesten die versieren, die op het lichaam der vazen geheven zijn: En zóó, dunkt mij, is men er nog niet, en komt men er niet. Potten zijn geen dingen die je op goeien dag zoo eens even gaat maken met een 2 de rangs be- gaafdheid in boetseeren en een kleur- gevoel van dezelfde soort.

Een pot is een « kunstwerk »: Een kunstenaar dit vervaardigend spilt zijn zorgen hier niet aan, maar is een ding schoon en gegoten van schoon metaal, zoo is ook dit weer een winst te meer voor ons. Dit kan ik niet zien, op verre na niet, in deze nieuwste hollandsche potterij. Het is niet edel, niet schoon, het is niet machtig: Maar be- ter kent hij de realiteit der verbeeldings- wereld.

Hij geeft historie-stukken, maar ze zijn verdicht. Hij schildert de Ver- zoeking van den heiligen Antonius en hij zal zich uiten op eene wijze die weinig of niets onwaarschijnlijks heeft — hij voelt het reëele van het verbeeldings- leven boven de realiteit van het al- daagsche gebeuren, maar hij mist ook die tweezijdige en, daarom, aller- omvattende macht der groote geesten, die het reëele zien als iets puur-ideëels en het ideëele kennen als de waarach- tige realiteit.

We hebben hiermee al voldoende te kennen gegeven in welke sferen deze schilder zich het meest eigen beweegt. Een bijbelsch onderwerp, Het Paradijs, behandelt hij op eene wijze die den fluweelen Breughel in herinnering roept.

Dan weer voor Sabatana, n° 15 noopt hij u de persoonlijkheid van meester Lucas van Leiden binnen den kring van uwe vergelijkende aan- dacht te brengen. En telkens zult ge dan — wat den laatste schaadt — die meesters be- kwamer en vooral gewisser vinden dan dezemoderne, die, beheerscht doormeer dan een invloed, nochtans een eigen per- soonlijkheid sterk genoeg doet spreken.

Daar, waar zijn verbeelding hem den tijd geeft en de bezinning nauwkeurig en nauwgezet naar zijn ingevingen te werk te gaan, is zijn techniek veelal bewonderenswaardig b. De reeds genoteerde Verzoeking van den H.

Antonius gaf in verst doorgevoerde eenheid stemmingen psychologie, maar scherp ziend met het oog van uw geest zult ge dat psychologisch vermogen niet immer diep vinden Het Paradijs. Over Henricus kunnen we ditmaal uit ter aard kort zijn. Wat hij hier liet zien zijn teekeningen: De Kunstkring bracht van werk als dit laatste reeds vroeger een tentoon- stelling en ook hier is dit genre supé- rieur aan het meer direct illustratieve.

Maar met dit al, was er op die vorige expositie niet een fantastisch belichte, Oostersch-nachtelijken volksdans, die, met enkele andere pastels, iets van stérker uitgesproken karakter beloofde. Maar wie maar ééns op een mooien avond langs den Rotterdamschen Maaskant naar de Boompjes is geslenterd weet voor altijd, dat dit voorbarig, onberedeneerd ge- zwets is. En wie in berglanden de rijzige viaducten heeft zien strekken boven schemerig blauwen afgrond, kent die wonderlijk nieuwe huivering van schoon- heid, de eerbiedwekkende kracht, die van deze trotsche bouwwerken uit een veelbedwingend tijdvak zegevierend uitgaat.

Maar het is vreemd, en zij hier gezegd zonder enkele uitzonderin- gen te na te spreken, in drie van de vier gevallen schijnt deze schoon- heid gansch en al onbewust aan dwingende eischen van noodzakelijk- heid ontsproten te zijn; en ware het cijfer, dat hij het ontstaan van alle ingenieurswerk zulk een groote rol speelt, van nature een minder onverzettelijk en onwrikbaar tegenstander, liet het meer met zich sollen, dan zou het dunkt ons nog twijfelachtig zijn, of een ontwik- kelde schoonheidszin de bouwmeesters tóch tot deze voortreffelijke oplossingen zou hebben genoopt.

Trouwens het bewijs van het tegen- deel is voldoende geleverd, want waar het maar even kon lijden, hebben diezelfde meesters, ten gerieve eener versleten conventie zelfs de praktische eischen ter zijde gesteld en in de meening zóó iets aangenamers voor het oog te bereiken, die afschuwelijke gedrochtelijk- heden geschapen als de groote spoorbrug te Keulen met het duizeling- wekkend getralie der gekruiste ijzeren latten, en zooveel andere misgeboorten, die maar beter verzwegen zijn.

Al schipperende trachtte Onze Kunst Afl. Maar het is niet in de eerste plaats de ijzeren brug, die pas geboren haar afkomst van noodzakelijkheid en moderne wetenschap alreeds verloochent, ook de tegenwoordige steenen brug, doet haar zooveel ouder geslachtsregister oneer aan.

Doch tot voor weinige jaren was het met dit artikel van publieke zorg niet anders dan met andere bouwwerken der stedelijke bureaux. Het werd weleens dragelijk, als er zich bij toeval een kunstenaar mee wilde of mocht bemoeien ; maar gewoonlijk werd het niet fraai.

Rondweg uitgesproken bestonden er in de materie bruggen in liet geheel geen esthetische eischen, behalve dan een vaag verlangen naar praal en pracht, dat uiting vond in de couranten-organen van het publiek en bevrediging in de meest avontuurlijke aanhangsels en uitsteksels aan de minverzorgde karkassen, waarmee de stad aan de burgerlijke wenschen tegemoet kwam.

Dat paste nu eenmaal zoo in onzen tijd van smadelijke gedachteloosheid bij alles wat maar even buiten direct praktisch nut of de fanfaronneerende reclame viel.

Sedert liep de wind om, ja het schijnt haast of in de slapend gewaande stad een wonder zal gaan gebeuren, of tegen alle usance in het stedebewind voortvarender en vooruitstrevender zal blijken dan de burgerij. Verre van gehoor te schenken aan de conventioneele eischen onzer deftige notabelen zullen de gewoonlijk zoo conser- vatieve Heeren van de groene tafel, op gevaar af van impopulair te worden, aan de deerlijk verminkte en valsch geschminkte stad weer gaan geven wat hen van hooger standpunt oorbaar schijnt.

Men moet er daar bij de overheid ten minste weer ernstig over gedacht hebben, want anders zou de jongste Amstelbrug zeer zeker niet geworden zijn als zij velen ten spijt, enkelen ten genoegen en den meesten heel- en-al onverschillig, thans geworden is. Daartoe moeten we het type van de Amsterdamsche « sluis » eerst kort in alge- meen overzicht behandelen.

De ontwikkeling van dat type te schetsen valt gemakkelijk genoeg. Waar men in de 16 e en 17 e eeuw voor getimmerde BRUGGEN jukken den gemetselden boog in de plaats stelde, was de vorm spoe- dig onveranderlijk vastgesteld en, van meet at aan goed, waren aan dit bouwwerk geen wijzigingen van noode. Naar de grootte kon het bogental vermeerderd of verminderd worden, naar den om vang van het verkeer te water en de afmeting der passeerende schepen konden er hoogere of lagere gewelven noodig zijn, aan de groote verhoudin- gen deed dat weinig af.

Dood eenvoudig was deze brug van ouds het eigenlijk onverbeter- lijke model voor ons land van baksteen-architectuur en kalm stroo- mend water. Aan versiering dacht men hoegenaamd niet. Het heelc gevaarte is nauwelijks geleed. De pijlers zijn niet door stroombrekers aan den buitenkant gekenmerkt — trouwens, wat stroom zou er ook te keeren zijn in het stroopig krooswater van Heeren- of Keizersgracht?

De straat is het immers, in haar volle breedte, de geheele straat, die met het brokkelig dek van grouwe keien en alles wat daarop zeult en sjouwt, slentert en draaft, ratelt, dendert en host over het forsche onderstel van doorluchte bogen is heengeleid.

Hier rijst zij langzaam naar het toppunt boven het midden, daar daalt zij weer breed neer tot den lageren vasten grond. Geen soepel maken en verzwakken van omtrek; in het steviger stelsel van de in drieën gebroken lijn heft en strekt en zinkt dat machtige bovenstel majestueus van oever tot oever.

En nu wil ik hier niet uitmaken in hoeverre het absoluut gewet- tigd is te verklaren, dat zoo stoute wijze van bouwen in onzen tijd geen navolging kan noch mag vinden, omdat wij, meer dan ooit bedacht op de vergemakkelijking van het wassend verkeer, tegen die heuvelhooge bruggen pratkische bezwaren hebben, want dit geldt toch alleen voor de grachtbrug, die bij betrekkelijk geringe lengte al te snel omhoog moet rijzen om voldoende boven den waterspiegel te staan en ik wilde hier juist over de Amstelbruggen spreken, waar de stijging over zoo groote breedte verdeeld wordt dat er voor het verkeer geen ongemak meer in schuilt.

Daar had de stad de oude traditie perfect kunnen behouden en ware dit geschied dan konden we thans werkelijk met rechtmatigen trots op een drietal bruggen wijzen die in machtige schake- ling van boog aan boog de beide stadshelften aaneenklonken als dit de prachtige Maasbrug te Maastricht, de Neckarbrug te Heidelberg, de Donaubrug te Regensbrug doen.

Dan zou daardoor weer eenigszins vergoed zijn wat schoons elders aan ons deerlijk gehavend Amsterdam om ernstige of ingebeelde verkeerseischen wreedaardig werd ontroofd.

Men heeft, toegevende aan de boven aange- duidde zucht naar grootsteedsche Europeesch-genivelleerde wijdsch- heid, de Hoogesluis en de Blauwbrug gebouwd. Geen van beiden 60 Brug over de Keizersgracht aan de Amstel. Te ver- geefseh zoekt het oog de lijnen die dit krachtig doen uitkomen.

Juist de meest aangewezen bewegingen mankeeren. Noch het rechte, straffe strekken van ijzeren leggers, noch de edeler vlucht van « kunstig ge- metste bogen » vindt ge. Let er slechts op hoe bij de hier afgebeelde Blauwbrug, de minst slechte trouwens van de twee, de al te pretentieus bewerkte pijlers door hun lichte hardsteengrijs, hun aanmatigenden scheepssnebben- vorm, hun zware lantaarnzuilen, juist de verticale beweging, juist het schragen steunen en schrapstaan tegen de horizontale hoofdlijn in, accentueeren, terwijl bovendien de ijzeren bogen, die niet anders dan al te doorzichtige cachemisères zijn, het aspect van het geheel nog meer verwarren.

De Blauwbrug te Amsterdam. Deze hoofdfouten nu zijn bij de jongste Amstelbrug tenminste vermeden. De groote lijn is er in gehouden en wordt zelfs door de magere silhouet van het ijzeren bewegelijk middenstuk niet afgebro- ken.

De overdreven en in hun overbodigheid belachelijke stroombre- kers zijn tot matiger afmetingen herleid. En hoewel dan zonder tooi en sieraad, is er toch in het algemeen voorkomen van dezen steenen kolos meer oprechtheid en hollandsche aard dan wij in de 19 e eeuw gewoon waren.

Daarmee is helaas de lof ook uitgezongen. W aut als men gaat vragen of dit werk het nu tegen die schijnbaar toevallige gratie onzer grachtbruggen uit zal houden, dan blijkt het daartegen nog onbehouwen en lomp van massa, flauw en loom van lijn. Geen enkel détail is bevredigend. De grijswitte, bergsteenen banden, de lange onaf- gebroken gladde riem van de stijfjes gevoegde deksteenen, de dito plint onder de balustrade doen op een afstand gezien meer aan als een appliqué van veterband, dan als constructieve deelen.

De forsche sprong van de deksteenen en de daardoor verkregen schaduwlijn, dit machtige hulpmiddel om het geheel van boven af te sluiten, is bier weggelaten. Suf en schriel, liggen de wanden der brug met de balu- strade nagenoeg genoeg in één vlak. Daardoor schijnt alles gelikt en óver af, maar toch zonder fijnheid. En de balustrade zelf is een karika- tuur. Waarom dan maar niet liever twee lage muurtjes doorgetrokken als bij zooveel oude bruggen — men denke aan onze zeventieudeeuw- sche heulbrugjes — in plaats van deze armoedige reeks baksteen- stapeltjes, deze riggelende rij schietgaten?

Visch noch vleesch geen muur en toch ook geen hek! Naar eenvoud zoekende vondt men het bizarre. Er is iets hachelijks in tegenwoordig op het eenvoudige te wijzen tegenover een publiek dat uit begrijpelijken lust tot verzet tegen de overmatig gepreekte barheid u aanstonds aanziet voor een van hen die om allerlei redenen buiten de schoonheid om, de luxe pertinent veroordeelen.

En ik moet er op staan dat men dit achter bovenstaande regelen niet zoeke. Niet wijl het oud en eenvoudig, maar BRUGGEN wijl het schoon en praktisch bruikbaar is, kan ons in dit speciale geval het oude voorbeeld van nut zijn.

Ik weet, dit zijn zoo maar wat utopieën; want evenmin als er een lettersnijder van tegenwoordig tevreden is met een serieuse navolging van mooie, oude typen, of een twintigsf eeuwsche drukker zoo be- scheiden is, dat hij ernstig de verhouding eener oude paginavulling aan zijn werk ten grondslag zou leggen, evenmin wil voorloopig een architect die een brug bouwt den naam hebben van niets nieuws, niets persoonlijks te hebben geleverd.

De traditie is niet alleen verloren, ze wordt met geweld onderdrukt. Wel wil men het oude heimelijk gebrui- ken om het voor onwetenden tot moderne herrijzenis te brengen, anderen weer meenen er baat bij te vinden het geesteloos precies te 63 AMSTER- DAMSGHE BRUGGEN copieeren; maar noch dit alles, noch gezochte naïeviteiten ot steriele barheden brengen ons in dit geval nader tot het verloren paradijs, tot de oude schoonheid, die we nog dagelijks voor oogen zien, die we nog in elk opzicht kunnen genieten, maar die te beheerschen ons niet meer gegeven is, omdat we niet beheerschen wat we niet naar het innerlijk wezen kennen.

Uit het vermijden der fouten van mindere voorgangers blijkt slechts de kracht der negatie. Om iets positiefs te bereiken moeten we het werkelijk in de aller- eerste plaats weereens evengoed kunnen als drie eeuwen geleden.

Niet het gevoelig oog, de fijne zin van den enkeling kan ons redden. Wat hier noodig is moet velen toegankelijk zijn, voor velen helder en begrijpelijk. Niet artis- tieke sensaties, maar slechts cc maten, gewichten, getallen » met wijs- heid en beleid gebruikt, leggen de hechte fundamenten voor een vruchtbare traditie. Hij is levendig en vlug van toets, zeker van hand, eerder voornaam dan boersch in de opvatting van het boerenleven.

Hem treft het schilderachtige in de zeden der dorpelingen, het prettige van hun figuur, het kleurige van hun dos, het onbezorgde van hun vermaken. Hij laat uitkomen wat zij aantrekkelijks hebben en verbergt wat er grofs in hun gewoonten ligt. Zijne teekeningen zijn elegant, pittig; zooals hij schildert met kleine penseelslagen, zoo teekent hij met korte trekken, die in weinige lijnen vorm en leven aan zijn personages geven. Liefst hanteert hij daarbij het potlood, zooals in de Boerenmaaltijd uit het Prentencabinet te Eerlijn en het Rookende boertje te Dresden, die wij hierbij weergeven.

Het eerste is een zijner fraaiste, volledigst afgewerkte tooneeltjes met al zijn gemak van ineenzetting en zijn opgewekte bedrijvigheid. Soms ook gebruikt hij rood of zwart krijt ; enkele keeren wascht hij zijne bladen met inkt. Zooals in het groote blad uit het Museum te Eerlijn teekent hij soms heele tooneelen, die een schilderij op zich zelve en toch geen studie voor een penseelwerk uitmaken.

Dan weer zijn het studiën van rookende en drinkende boeren, waar hij de kleuren op aanduidt van hun plunje, zooals in een stuk te Chantilly, of schetsen van boeren zooals te Stockholm, te St.

Rookende Boer Prentenkabinet van het Museum te Dresden. British Museum, de eene zeer los daarheen geworpen, de andere in zijn lichten maar keurigen trant. Yan zijne volgelingen bezitten wij weinig. Van David Ryckaert is zeer waarschijnlijk een prachtige teekening in het British Museum, geteekend R. Yan Adriaan Brouwer zelf bewaart het British Museum vier groote studiën uit het kroegleven en het Museum te Stockholm een grooter aantal stukken van gelijken aard, waarbij komen een viertal boerenkoppen, die wij hier weergeven, omdat zij zoo kenmerkend zijn voor den rijk begaafden kunstenaar.

Brutaler krabbeling kan men zich niet verbeelden, noch wonderbaarder gave van uit dien warboel leven en luim te doen optintelen. Het plezier straalt uit hun tronies met twee messneden gebeiteld en uit hun lijf met een paar vegen gekrabbeld.

Yan den jongen Frans Francken treffen wij in de Albertina nog al onverwachts een Heksentooneel aan in den aard van den helschen Breughel. Men zou aarzelen aan hem te denken ware het niet dat hij zijn naam schreef op de lijst van een schilderijtje, dat aan den muur hangt; hetzelfde middel om zich te doen kennen gebruikte hij in een andere teekening, een zinnebeeldig onderwerp dat de Louvre bezit. Den naam van zijn kozijn Jan Francken vinden wij op eene tweekleurige teekening, Drie geknielde Vrouwen in den Louvre waarop wij lezen Jolmn Franck invent.

Yan Pieter van Avont , den kinderschilder, treffen wij in het Rritish Museum een zijner gewone groepen aan, Maria met de kinderen Jesus en Joannes , een fraaie teekening in den trant van Cornelis Schut. Het Rijksmuseum te Amsterdam heeft van hem een Havenscene in den Oost , onder den naam van zijn vader Jan. Adam-Frans van der Meulen , onderscheidde zich als teekenaar door dezelfde hoedanigheden, die hij als schilder bezat: Mariette getuigt van hem dat, vooraleer de wapenfeiten van Lodewijk XIV te schilderen, hij zich ter plaatse begaf om nauwkeurig de gezichten van steden en gronden, waarop de veldslagen geleverd werden, te teekenen ; zulke stukken vinden wij in de Albertina: Dresden, Eerlijn en St.

Petersburg bezitten studiën van ruiters en voetgangers meesterlijk uitgevoerd, altijd met groote zorg soms microscopisch fijn bewerkt. Een naam, dien men elders niet aantreft, leest men onder een ruiterijgevecht in het Museum te Rremen, onderteekend P. Doode natuur Museum Plantin-Moretus, Antwerpen. Maxentius door Rubens, maar staat er ver beneden als uitvoering. Volgens de toelichting ontleend aan de Liggeren der St.

Lucasgilde zou de maker een Pauwels van de Peer, leerling van Joos Daniël te Antwerpen in , geweest zijn. Frans Snijders en Paul De Vos, van beiden bezitten wij teekeningen, van den eerste minder, van den andere meer.

Maar zooals het met hunne schilderijen gegaan is, wordt een deel der werken van Paul De Vos aan zijnen meer gekenden kunstmakker toegeschreven. Frans Snijders is een keurige, uitmuntende teekenaar zooals hij een glanzende schilder was. Slechts weinige stukken, die zijnen naam dragen komen hem toe; echt zijn twee fraaie teekeningen in den Louvre: Elders Vlaam- sche School , blz.

Buitendien bezat de heer René della Faille nog een tiental afzonder- lijke stukken eveneens met zorg geteekend en gewasschen met bister op een blauw getinten grond. Deze laatste zijn geen studiën voor schil- derijen, het zijn eerder Albumblaadjes of teekeningen bestemd om afzonderlijk verkocht te worden.

Op een der blaadjes uit het studie- boek van Paulus De Vos troffen wij de eigenhandige bevestiging aan, dat bij in dienst van Rubens werkte. Het luidt daar in eene aantee- kening: Zijn eigen schilderijen zijn haast onvindbaar, zijn gekende teekeningen zijn niet veel talrijker. De Louvre bezit van hem een fraai landschap; de Albertina verscheiden stukken van denzelfden aard met personages uit de geschiedenis van Jozef; het Prentenkabinet te Amsterdam een Jachtstoet.

Een der stukken uit de Albertina is door hem ondertee- kend, de overige zijn het niet, maar zijn wel in zijnen trant en worden hem met voldoende waarschijnlijkheid toegekend. Evenals van Paulus De Vos is er van een anderen welgekenden dierenschilder Peter Boel een studieboek bewaard geble- ven.

Het bevindt zich in den Louvre en bevat in drie bandjes zeer merkwaardige teekeningen naar dieren. Van Jan Fyt , den uitmuntenden dierenschilder, hezit het British Museum een teekening van Jachthonden met wild en geweer, in zijne forsche manier gedaan.

In het Prentenkabinet te Berlijn bevin- den zich drie stuks honden ruw en ferm geteekend ; te Dresden een Hondengevecht. De Louvre en het Museum van Rotterdam bevatten werken van hem van minder zekere echtheid. Daniël Seghers , de beroemde bloemenschilder, tee- kende ook wel eens een landschap, ten bewijze hiervan strekt het eenige stuk, dat wij van hem kennen, dat in het Prentenkabinet te Berlijn berust en eigenhandig door hem is onderteekend Daniël Seghers Soc tis Jesii.

Van den grooten stillevenschilder Jan De Heem bezit de Albeitina een uitruimde teekening: De Louvre, de Albertina, het British Museum, de Ermitage, Dresden, Berlijn, Stockholm bezitten ervan; vele zijn onderteekend door hem; enkele dragen jaartallen: Zonder onderscheid zijn zij fijn van teekening, vooral die welke met de pen gemaakt zijn; gaarne haalt hij ze op met een beetje blauw of groen.

Hij vervaardigde ze minder als studiën voor zijne werken dan wel als blaadjes, die kunststukjes op zich zelve vormen. Zijn trant is hierin, zooals in zijne etsen, minder breed dan in de stukken, welke hij samen met Rubens maakte ; als teekenaar laat hij eerder aan den invloed van fluweelen Breughel denken.

Hij ziet de natuur juist, hij bemint ze niet alleen in de bijzonderheden, maar ook in hare grootsche vergezichten; hetzij bij een enkelen boom of een grenzelooze ruimte tot model kiest, altijd beeldt hij ze af fijntjes en netjes als teekende hij met nauwgezetheid een kostelijk kleinood.

Die slaaf zoek ik! Jij gaat je nu melden bij mij slaaf! En je gaat er spijt van krijgen, hahaha Onderdanig voetenslaafje gezocht, die mijn blote voetjes wil aanbidden en vereren. Ik ben een dominante Meesteres en heb heel mooie sexy voetjes. Jij gaat mijn slaafje worden en mijn voeten verzorgen, lakken, liefkozen en meer Stuur mij een berichtje Home     1 Meesteres zoekt slaaf.

Bottom wil bare ontmaagd worden en zaad ontvangen! Geile zaadslet zoekt een date Met spoed sexdate gezocht met een geile vrouw óf stel Rougurk uit Dinxperlo. Home     1 Meesteres zoekt slaaf Meesteres zoekt slaaf Selecteer provincie Nederland Godin Eva zoekt een nieuw biggetje! Meesteres zoekt slaaf Venray Limburg Nederland Gehoorzaam slaafje gezocht! Meesteres zoekt slaaf Utrecht Utrecht Nederland Dominant zoekt onderdanig! Meesteres zoekt slaaf Utrecht Utrecht Nederland Voetenslaafje kom jij mijn voetjes aanbidden!

Bottom uit Eijsden Dominant zoekt onderdanig! DominaJ uit Utrecht Geile zaadslet zoekt een date Anoukje uit Amsterdam alarm!!

Met spoed sexdate gezocht met een geile vrouw óf stel Rougurk uit Dinxperlo Bull Tony!

...



Gratis neuken in rotterdam vrouw zoekt nu sex